Zaterdagnachten zijn lang

MADRID. 'Wij verheugen ons erop de heer Nurnberg in Spanje welkom te heten,' stond in de brief.

Tijdens een openbare discussie in het buitenland wees een gewaardeerde collega de interviewer woedend terecht toen die de voornaam van de gewaardeerde collega steeds weer uitsprak als het Engelse woord kaas.

Mij kan het niet schelen op een vliegveld te worden verwelkomd door een meneer die een bordje omhoog houdt waarop staat 'Nurnberg'. Integendeel.

Niet omdat ik beter ben dan gewaardeerde collega, of bescheidener, maar omdat ik andere conclusies heb getrokken. In een interview verklaarde Bronfman, de grote man van Seagram, het media- en drankconcern, dat hij van zijn vader had geleerd dat echte macht macht is die je niet hoeft te gebruiken. Zo denk ik dat echte roem roem is waarbij niemand weet wie je bent, zodat je tijdelijk als de heer Nurnberg door het leven kan gaan of een voornaam blijkt te hebben die wordt uitgesproken als het Engelse woord kaas. Natuurlijk is het fijn als zo nu en dan, bij voorkeur vlak voor kerst of op grote verzoendag, een paparazzo de regenpijp beklimt om je met telelens te betrappen tijdens je ontbijt. Maar helemaal mooi is het toch als dan achterop de foto komt te staan: 'schrijver Nurnberg op grote verzoendag achter bord müsli'.

De meneer op het vliegveld van Madrid die het bordje omhoog hield waarop 'Nurnberg' stond bleek niet meer dan acht woorden Engels te spreken. Een tolk was aanwezig in de persoon van Gabrielle. Een vrouw met een zonnebril die nerveus rookte en klaagde over een kater.

Het was zondagochtend vroeg, en de zaterdagnachten waren lang, vooral in Madrid.

Ik werd naar mijn hotel gebracht. Alberto, de man van de publiciteit, vroeg of ik het erg vond de lunch alleen te gebruiken. Jeffrey Archer was ook in het land en ze hadden hun handen vol aan hem.

Archer had verklaard alleen Italiaans te willen eten. En toen ze hem per ongeluk een keer naar een Spaans restaurant hadden meegenomen verklaarde Archer na afloop, 'jonge dame, ik hoop dat u van uw lunch heeft genoten, want ik heb dat totaal niet.'

De dame, die natuurlijk helemaal niet zo jong was, had huilend haar baas opgebeld om te vragen wat ze met die Archer moest.

Schrijvers op bezoek krijgen is geen pretje. Alberto beweerde schrijvers op vliegvelden ook altijd te herkennen. “Ze hebben allemaal een gemartelde uitdrukking op hun gezicht,” zei hij. 's Avonds werd ik meegenomen naar een paella-restaurant.

Alberto moest nog een keer naar het vliegveld om de Italiaanse schrijver Aldo Nove op te halen wiens boek tegelijkertijd met het mijne zou worden gepromoot.

Na afloop van het eten zei ik: “Jonge dames, ik hoop dat jullie van de paella hebben genoten, want ik heb dat totaal niet.”

Gelukkig werd het citaat herkend. “Het is waar,” vertaalde Gabrielle opgelucht, “je maakt grappen.” Blijkbaar was mij een reputatie vooruitgesneld als iemand die voortdurend grappen zou maken. Merkwaardige reputaties gaan mij soms vooruit. Een ander buitenlandse uitgever verbaasde zich over het feit dat ik zo netjes sprak en met mes en vork at. En weer een ander vertelde over een schrijver die na de eerste avond nog wat was gaan drinken en toen zoek was geraakt en twee dagen later opdook met zijn hand in het gips. De uitgeefster keek mij smekend aan en vroeg of ik alsjeblieft niet zoek wilde raken. Misschien was het ook wel om die reden dat ze me 's avonds tot de deur van mijn hotelkamer begeleidde, om er zeker van te zijn dat ik er ook echt in ging. Want in een hotelkamer kan je van alle uitspoken, maar zoek raken dat gaat niet.

De volgende ochtend zag ik Alberto in de ontbijtzaal. Hij zag er slecht uit.

“Ik heb nauwelijks geslapen,” zei hij, “toen Aldo Nove arriveerde was het eerste wat hij zei, waar zijn de vijf hoeren die jullie me beloofd hebben?”

Toegegeven, een rare eerste zin om je buitenlandse uitgever mee te begroeten. En vooral, waarom meteen vijf?

Om twaalf uur werd ik geïnterviewd door een meisje dat nagels beet. Ik wist niet wie ik moest aankijken de tolk of het nagelbijtende meisje.

Wat mijn werk jonge mensen te zeggen had.

Hetzelfde als het oude mensen te zeggen heeft, antwoordde ik, mijn werk is er voor iedereen die hoopt ooit nog ontvoerd te zullen worden, en die wens is, zoals bekend, niet aan leeftijd gebonden, ten slotte is de dood ook een soort van ontvoeringsmachine.

Ze sloeg haar kladblokje dicht.

De rest van de dag waren Aldo Nove en ik vrij.

De Spanjaarden die ik ontmoette haden zich op het standpunt gesteld dat hard werken minder urgent was dan veel drinken en vet eten. Een hartverwarmend standpunt.

Aldo Nove en ik bezochten een museum.

Daarna gingen we in een park zitten. Al snel werden we omgeven door een non met veertig pubers.

“Madrid is mooi,” zei Aldo.

“Ja,” zei ik, “Madrid is mooi.”

Die avond ontmoetten wij onze redacteur in het restaurant waar Archer zijn inmiddels berucht geworden zin had uitgesproken. Daarna bezochten wij verscheidene bars en clubs. Al eerder was mij verteld dat het beste nachtleven in Madrid te vinden is. Door een mevrouw die Almudena heette en die samenwoonde met een Zuidamerikaanse kok die haar regelmatig in elkaar sloeg. De tolk verklaarde dat veel Spaanse vrouwen pas respect voor mannen konden opbrengen als ze af en toe door hen in elkaar werden geslagen.

“Ja,” zei ik glimlachend, “veel vrouwen zien in mij geen man.”

“Veel mannen trouwens ook niet”, voegde ik er aan toe, “alle honden daarentegen zien in mij een man, Al zijn het van die nerveuze kleine keffertjes, ze zien in mij een man.”

En we kwamen te spreken over de filmregisseur Almódovar, een van mijn helden, een van de mensen die toe zou mogen treden tot een geheim verbond van mensen wier werk bestemd is voor iedereen die hoopt ooit ontvoerd te zullen worden, het liefst nog voor a.s. zondag. Verder zouden de leden minstens één keer per jaar 's nachts in afzondering en luid snikkend naar Leonard Cohen moeten luisteren. Ze zouden nooit mogen beweren dat risotto en paella eigenlijk hetzelfde zijn. Ze zouden alleen maar volstrekt nutteloze dingen mogen voortbrengen, want het nuttige is hen een gruwel. En eigenlijk zouden alle leden van het verbond ook nog een persoonlijke assistent in dienst moeten hebben die luistert naar de naam Michael Baumgold.

Als afsluiting van deze tournee was er een persconferentie georganiseerd waarop voornamelijk oude mensen waren afgekomen. Later kwamen wij in een bodega een Koreaanse tegen die speelgoed en rozen verkocht.

“Hoeveel kost alles?” wilde ik weten.

“Niet alles kopen”, zei de redacteur. Maar het was al te laat. Ik betaalde in dollars.

Ze overhandigde me alle rozen, maar een halve minuut later kreeg ze spijt, en begon aan de bos rozen te rukken die ik net verworven had. Terwijl ze Spaanse of Koreaanse kreten uitsloeg. En dat alles om half twee, in een bar waar het pas om vier uur echt druk zou worden.

“Rustig maar”, zei ik, “rustig maar.”

Zo vochten wij om een bos halfdode rozen. Ze ontrukte mij een roos of zes.

De overige deelde ik uit. Men was hier nog blij met rozen. Stelletjes kusten mij. Alleen een jongen, ongetwijfeld bevreesd niet met een echte man te maken te hebben, weigerde beledigd. Dat heb ik in de Amsterdamse Jordaan toch wel anders meegemaakt. Toen ik daar in een café eens rozen uitdeelde gingen ze mij te lijf. Eentje zelfs met een barkruk. Om vijf uur was ik weer in mijn hotel met twee halfdode rozen die terug had gekregen van een stel. Die mijn rozen blijkbaar wel voor een paar uur wilde lenen, maar er toch niet de hele nacht mee opgescheept wilde zitten.

    • Arnon Grunberg