Zaaiviool en zoldergast

Het podium was volgestouwd met computers, tape-decks en ongebruikelijke maar toch vertrouwde muziekinstrumenten: twee roestige eggen, een enorm blik augurken en een cervelaatworst van obsceen formaat (type weduwetrooster). Buiten woedde de boekenweek, binnen stond de slagwerkcompositie Machine Agricole II van Paul Koek (1954) op het punt te beginnen. Het publiek werd begroet door een in te keurige boerenkleding gestoken voorganger met een bedeesd “Heuj”.

De curieuze constructies begonnen uit zichzelf te gonzen en te bonken terwijl de droogkomische verteller (acteur Bert Luppes) weemoedige herinneringen van een bejaarde landarbeider te berde bracht. Natuurlijk doorspekt met “ja, ja - nou nou - hè hè - niet dan? - toch?” Het geluid zwol: krassende vingernagels op schoolbord (de eggen schuurden over een plaat ijzer); keihard ramde een metalen bidsprinkhaan een grote gong. Een man in een met mos begroeid kostuum betrad het podium: “Heuj”. Hij gorde de zaaiviool om, zwengelde de strijkstok heen en weer; een verlegen storm stak op. Geen vertrouwde storm, ruisend door bebladerde bomen, maar artificieel en daardoor onheilspellend. Een blonde jongeman in bemost pak posteerde zich achter een metalen boompje met sensoren in plaats van bladeren. Vogelzang van knarsende en piepende knetterslagen.

Wegdromen op ongehoorde en bij tijd en wijle oren-teisterende klanken in een complex ritme is een plezierige sensatie. Het zogeheten Gelderse buitengebied, waar ik werk, is namelijk arcadisch stil. Weinig of geen mensen, soms passeert er een tractor.

Nee, ik werk er niet voor mijn lol. Na een kwarteeuw wonen en werken in de hoofdstad dreigde acute krankzinnigheid. Hier heb ik geen last meer van culturele coterietjes, intriges van geborneerde bollebozen, pedante droogneukers en narcistische woordgrappers ('Ceasar, seize her en see you zoen'). Laat staan dat ik door een toffe hufter besmuikt wordt voorgesteld aan Miranda, Daniëlle of Belinda: “Mijn nieuwe beddekruik”. Complimenteerde ik tot voor kort elke nieuwe en allertijdelijkste vlam met haar valse nagels, geverfde wimpers, lipsuctie of tatoeage, tegenwoordig trek ik liever met blote handen brandnetels uit. “Wij leven zover ik kan nagaan geenszins in onmin. Hoe voelt dat, je tong afbijten? Moge zij snel weer aangroeien! Gaan we bijv. vlg. week eens dineren?”. En ocharm, natuurlijk gesigneerd met “in min”. Typisch snobistische, neurotische uitwassen van een vederlicht bestaan. Daar bleek ik niet langer tegen bestand, kreeg het er benauwd van. Geef mij maar ruimte en rust. Hoewel: achter mijn rurale atelier, in het rugdekkende bos, mitrailleren de spechten, de kauwtjeskolonie kakelt als door de duivel bezeten, de mezen zurkelen, het roodborstje snikkikt, de buizerd en de steenuil huilen. Om over de herrie van hommels, bijen, vliegen en de helaas bijna uitgestorven meikever maar te zwijgen. Links van mijn raam nestelt een pimpelmeespaar en rechts, voor het derde jaar, een stel winterkoninkjes: een steels roets-roets en merkwaardige knikkerklanken. In de den nestelt een stel bosduiven. Jammer, ik heb een hekel aan het dwangmatige koeren, haat de herrie die ze maken bij het verlaten van hun nest. Toch zijn het allemaal vertrouwde, niet storende geluiden. Je weet dat ze er zijn. Of komen. Zo wacht ik op de lange, eenzame winteravonden in mijn atelierbedstee urenlang bezorgd, gelijk de moeder van een tienerdochter, op mijn zoldergast - een eekhoorn. In de zomer zie en hoor ik 'm niet. In de herfst gapt hij walnoten bij buurmansboer en hazelnoten bij mij; in barre tijden nuttigt hij ze luidruchtig op het vlierinkje boven de kachel.

Op het podium van De IJsbreker, muziekcentrum te Amsterdam, heeft inmiddels de in bemost hansop gehulde componist in de ronddraaiende potplantenmachine plaatsgenomen. De potten en planten zijn vervangen door cimbalen en pannendeksels: gebalder, gedonder, gedaver, gefluit, boing. Op de wand achter het podium wordt een schitterende zwart/wit-film geprojecteerd over de almaar voortschrijdende mechanisatie van de landbouw tussen 1926 en '45: lofzang op zonlicht en vooruitgang, vrolijke deerntjes druk in de weer met de oogst. Ik herkende bijna vergeten gewassen, koren, rogge, haver. De verteller had intussen demonstratief het blik augurken van cafetariaformaat geopend, in het halfduister werden ze stiekem geëlektrocuteerd. Jammerende geluiden, boem, dreun, twiet-twiet, geblaat, juichende wind, knorrend en sissend, loeiend en tsjirpend.

Na anderhalf uur prachtig afgewogen ketelmuziek slenterden geliefde en ik innig gearmd langs de grachten naar huis, naar het echtelijke bed op zolder. Zij, opgegroeid met de traditionele drieëenheid Bach, Van Beethoven en Mozart, was overdonderd. Ik knorde van intense tevredenheid, was tot op het bot verkwikt. Zoals een noodgedwongen zoldergast betaamt vertrok ik bij het krieken van de dag fluitend naar mijn landelijke vrijplaats. Geen proleet gezien of gehoord. Opnieuw zonder kleerscheuren een stads weekeinde overleefd.

De IJsbreker publiceert elke twee maanden een gratis concertagenda: Weesperzijde 23, 1091 EC Amsterdam.

    • Peter Yvon de Vries