Tasten in het Turkse labyrinth

F. Bovenkerk & Y. Yesilgöz: De maffia van Turkije. Meulenhoff/Kritak, 351 blz. ƒ 39,90

In De maffia van Turkije beschrijven de criminologen Frank Bovenkerk en Yücel Yesilgöz hoe in Turkije staat en onderwereld onontwarbaar verstrengeld zijn geraakt. Criminoloog Bovenkerk is hoogleraar aan de universiteit en deed voor de parlementaire commissie-Van Traa onderzoek naar de georganiseerde misdaad in Nederland. Yesilgöz, die bij Bovenkerk promoveerde op Turken in het Nederlandse strafrecht, is verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen in Utrecht.

De constatering dat er in Turkije sprake is van een verstrengeling van staat ern onderwereld is, aldus een van de auteurs, op zichzelf niet nieuw. “Wij hebben”, zei Yesilgöz onlangs in een gesprek met deze krant, “de bekende feiten bij elkaar gezet en in een wetenschappelijk kader geplaatst.”

De bekende feiten zijn onder meer de volgende. Eind 1996 gebeurde in Turkije een ernstig verkeersongeluk bij het plaatsje Susurluk, aan de westkust van het land, waarbij een hoge politie-functionaris, een maffiabaas en een Koerdische parlementariër betrokken waren, samen met een voormalige schoonheidskoningin. Alleen de parlementariër, Sedat Bucuk, overleefde het. De vier zijn in Turkije inmiddels uitgegroeid tot het symbool van het schandaal rond de banden tussen politie, staat en maffia.

Naar aanleiding van het Susurluk-ongeluk werd in Turkije een parlementaire commissie ingesteld om de banden tussen politie, staat en maffia te onderzoeken. Uit dit onderzoek bleek dat bendes van moordenaars en drugssmokkelaars in Turkije nauwe banden onderhouden met militairen, politiemensen en politici. 'Deze criminelen vormen onderdeel van een netwerk van mensen dat zich bezighoudt met de smokkel van verdovende middelen, waar ze enorme bedragen mee verdienen, en met moorden die plaatsvinden onder de bescherming van de staat', schrijven Bovenkerk en Yesilgöz. Op grond van de feiten die Bovenkerk en Yesilgöz ontlenen aan het Susurluk-onderzoek is de conclusie onontkoombaar dat Turkije een narcostaat is.

De auteurs hebben de vervlechting van misdadigers en machthebbers in hun boek in een overzichtelijk historisch en sociologisch perspectief geplaatst. Mannen die een reputatie van onverschrokkenheid opbouwden, konden in Turkije van oudsher op een zeker maatschappelijk respect rekenen. Daarbij werden bandieten en bendeleiders traditioneel door machthebbers gebruikt om in het geniep 'smerige karweitjes' op te knappen, zoals bij de genocide op de Armeniërs in 1915. De collusie van misdaad en staat, zo blijkt uit De maffia van Turkije, is diep geworteld in de Turkse geschiedenis.

Dreigender nog dan de mededeling dat Europa grenst aan een narcostaat is de constatering dat de Turkse maffia 'besmettelijk' werkt op de Turken die naar West-Europa zijn geëmigreerd. Bovenkerk, al langere tijd bezig met onderzoek naar de Turkse heroïnehandel, kwam in september 1995 met de bevinding dat 'enkele tientallen procenten' van de Turkse mannen in bepaalde Amsterdamse buurten betrokken waren bij drugshandel. De cijfermatige onderbouwing was zwak, moest hij later publiekelijk erkennen, maar hij hield vol dat zijn bevinding in het algemeen klopte. In Nijmegen en Arnhem was bijvoorbeeld vastgesteld, zei hij, dat respectievelijk 21 en 26 procent van de volwassen Turkse mannen betrokken was bij de drugshandel.

In De maffia van Turkije wagen Bovenkerk en Yesilgöz zich niet meer aan zulke percentages. Ze houden het nu op een 'aanzienlijke Turkse/Koerdische betrokkenheid bij de drugshandel' in Nederland. Die indruk baseren zij op gesprekken met Turken en Koerden: drugshandelaren, jongeren, zakenlieden en politiemensen die de Turks/Koerdische gemeenschap goed kennen. Probleem hierbij is wel dat de lezer niet in staat is de opmerkingen van de respondenten te wegen. Is een drugshandelaar even betrouwbaar als een politieman? Daarbij vraag je je af wat Bovenkerk en Yesilgöz beogen met sommige citaten. Zo komen ze met een 'zegsman' die beweert dat met name Nigerianen als de dood zijn voor Turkse enforcers. Waarop deze opmerking slaat, is onduidelijk. Zijn Nigerianen wèl bang voor Turkse geweldscriminelen en Marokkanen niet? Bovenkerk en Yesilgöz leggen het niet uit.

Dat is een zwakte die het hele boek kenmerkt. Wie zich bijvoorbeeld afvraagt of er, als Turkije dan een narcostaat is, wel valt samen te werken met een belangrijk onderdeel van die staat, namelijk de politie, krijgt geen duidelijk antwoord. Enerzijds schrijven de criminologen dat 'de Europeanen (..) zeggen de ervaring te hebben dat er bij de Turkse politie lekken zijn naar de onderwereld', ervaringen die ertoe hebben geleid dat met terughoudendheid wordt samengewerkt met Turkije. Anderzijds stellen ze dat Turkije zich 'reeds vanaf de jaren tachtig ten volle bereid heeft getoond om internationaal met andere politiediensten samen te werken (...) en ook met Nederland gaat het (die samenwerking, hm) tegenwoordig prima'.

Ook in de beschrijving van de strijd tegen het 'witwassen' van drugsgelden in Turkije, laten de auteurs de lezer in het ongewisse. Lange tijd was er in Turkije geen interesse voor het opsporen en vervolgen van witwas-praktijken, stellen ze. 'Zonder meer kan worden gezegd dat het idee dat het witwassen van crimineel verworven geld immoreel is, in Turkije niet echt leeft.' Maar elders schrijven ze: 'Op dit moment werkt men (in Turkije) loyaal mee aan het invoeren van wetgeving tegen witwassen van de in drugshandel verdiende vermogens.'

De maffia van Turkije stelt zodoende regelmatig teleur, ook al omdat de lezer steeds gedwongen wordt terug te bladeren. Dan zijn er weer nieuwe nuances aangebracht die eerdere uitlatingen van de auteurs op losse schroeven lijken te zetten. Toch moet wie in misdaad en in Turkije is geïnteresseerd, dit boek aanschaffen. Al is het maar bij gebrek aan beter.

    • Hans Moll