Roman van Armando; De grote omkeertruc

Armando: De heideweg. De Bezige Bij, 80 blz. ƒ 24,50

Tien jaar oud was Armando toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Hij woonde in Amersfoort, dicht bij een sportterrein dat later in gebruik werd genomen voor het doorgangskamp. Door wat hij daar toen zag en hoorde is zijn grimmige wereldbeeld gevormd. Achter elke boom of struik kan zich een gruweldaad afspelen, achter elk vriendelijk gezicht kan een verrader schuilgaan en omgekeerd.

Een van de sleutelwoorden in zijn werk is 'de medemens', in een wat dubbelzinnige betekenis. De ene keer is hij een passieveling, iemand met wie al of niet rekening wordt gehouden. De andere keer houdt hij zelf al of niet rekening, maar vaker niet dan wel, als we Armando mogen geloven. 'De medemens blaakt, heeft kwaad in de zin. De medemens waant zich. Hij is erg alsof', schreef hij in Dagboek van een dader (1973). Hij is kortom niet te vertrouwen. 'Medemens' is een van de besmette woorden in Armando's vocabulaire, net als 'boom', 'landschap' of 'struikgewas': door toedoen van die onberekenbare medemens zijn ze van hun onschuld beroofd.

Een ongebreidelde interesse in de beweegredenen van de medemens ligt ten grondslag aan al zijn werk. In uiteenlopende boeken als Geschiedenis van een plek (1980), Krijgsgewoel (1986) en De straat en het struikgewas (1988) probeert hij in kaart te brengen wat mensen in uitzonderlijke situaties drijft. Steeds maar weer vestigt Armando de aandacht op de nachtzijde van het bestaan: oorlog, dood, vijandschap, verraad, het nooit voorbije verleden. 'Aangename' lectuur is het niet, maar de stijl vergoedt veel. De laconieke toon en de losse, spreektalige manier van vertellen maken zijn boeken erg toegankelijk en bij vlagen zelfs ontroerend.

In het ideale geval, zoals in De straat en het struikgewas, onstaat er een mooi evenwicht tussen het algemene en het persoonlijke. Autobiografische belevenissen zijn van hun particuliere aanzien ontdaan, alleen al door de kortaffe, soms bijna snauwerige stijl en door het gebruik van afstandelijke woorden als 'de jongen', 'de bezetter', 'de vrienden', 'de vijand', 'de vader', of 'de ingewijden'. Maar de toon is ook weer niet zo kil en onpersoonlijk dat men zich niet meer zou kunnen verplaatsen in de gedachtenwereld van 'de jongen' die de oorlog meemaakte en die altijd verwonderd is gebleven over wat hij toen meemaakte, zag en hoorde.

Ik denk dat Armando zulke concrete aanleidingen nodig heeft om een goed verhaal te kunnen schrijven. Anders dreigt het gevaar dat de abstracties met hem op de loop gaan, zoals bijvoorbeeld het geval is in zijn latere gedichten. Zijn nieuwe verhalenbundel, De heideweg, heeft er ook onder te lijden, al lijkt hij op het eerste gezicht naadloos aan te sluiten bij zijn eerdere proza. Bijna alle verhalen spelen zich af in oorlogs- of bezettingstijd, zodat er veel medemenselijk leed te bespeuren valt. En ook hier is geen verhaalfiguur wie hij is: een slachtoffer verandert in een dader, een argeloze toeschouwer ontpopt zich tot een geduchte spion, een onschuldige burger wordt ten onrechte voor een verrader aangezien en gaat zich daar vervolgens ook naar gedragen.

Het grote verschil met eerdere verhalen over oorlog en bezetting is dat De heideweg zo klinisch aandoet. Armando behandelt hier een aantal 'gevallen', op een Herenleed-toon die vreemd contrasteert met het martiale karakter van de bundel. Dit is duidelijk fictie en de flaptekst spreekt dan ook van 'absurdistische verhalen'. Je zou ook van verhaaltjes kunnen spreken, want dik is de bundel niet en elke bladzijde zit ruim in het wit. Wat in De heideweg ontbreekt is de norse medemenselijkheid die van zijn interviews, documentaires, gebundelde columns en autobiografische notities de kern uitmaakt. Wat daar aanleiding gaf tot wezenlijke vragen over eigen en andermans drijfveren, is hier teruggebracht tot een abstract, literair spel. In elk van de zeven verhaaltjes wordt, zonder ook maar de geringste poging tot een psychologische of andere verklaring, de grote omkeertruc toegepast. Een koning wordt belaagd door zijn onderdanen, een onschuldige schuldig verklaard, een man laat zichzelf neerknallen door een huurmoordenaar.

Dat de mensen elkaar zomaar bestelen, bedriegen, mishandelen en vermoorden is bekend. Dat de mensen goede en vooral ook slechte kanten hebben eveneens. Maar voor een verhaal over een fictieve medemens en zijn metamorfosen is meer nodig dan alleen deze vaststelling. 'Er zijn mensen', zo laat Armando een van zijn personages overpeinzen, 'die braaf in een straat wonen en op een dag komen ze in hun beste kleren uit hun huisdeur, stappen op een fiets en rijden ergens naar toe, waar ze nooit eerder waren, een verdachte plaats, waar ze hun medemensen kunnen verraden, voor geld. En waarom? Dat weten ze niet.' Armando weet het kennelijk ook niet, zodat het bij deze constatering blijft.

Uit: Armando, De heideweg

Ik vond nog net de tijd om m'n mooiste broeken aan te schieten, het kon nog, ik kon nog naar m'n leunstoel komen, want de vijand moest en zou zien dat ik, de koning, waardig op hem wachtte. Hè, waar waar m'n troon eigenlijk, ik was m'n troon kwijt.

En ja, daar verscheen de vijand.. Hij kon niet praten, dat had hij nog niet geleerd, maar het was hem aan te zien dat hij wist wat hij wilde. Hij snoof als een dier. Hij kwam op ons af om z'n plicht te doen.

Vaarwel, vermomd en wankel vaderland, vaarwel.