Nationale mythen in Oost-Europa; De actualiteit van het zelfmedelijden

Vladimir Tismaneanu: Fantasies of Salvation. Democracy, nationalism and myth in post-communist Europe. Princeton University Press, 216 blz. ƒ 87,35

Het is de 'Christus der naties': Polen, het altijd vervolgde Polen, verkracht door zijn buurstaten, stierf aan het kruis, voor het welzijn van Europa. Het is een metafoor, een aan het selectieve geheugen van negentiende-eeuwse Poolse nationalisten ontsproten beeldspraak, die zowel de democratische mogendheden van die tijd als de Poolse natie herinnerde aan de verplichting die ze jegens de gedeelde Poolse staat hadden. En hoe dan ook, net als Jezus Christus, Polen zou herrijzen!

Ik geloof niet dat Poolse historici nog dikwijls refereren aan deze licht-blasfemische voorstelling van hun geschiedenis, zoals Vladimir Tismaneanu beweert in Fantasies of Salvation, een studie naar de betekenis van nationale mythen in post-communistisch Europa. Toch is de metafoor in een aantal opzichten kenmerkend voor de vele politieke stereotypen en mythologieën die groeien op het kaalgeslagen ideologische landschap van de eens communistische landen.

Het gaat Tismaneanu, een Amerikaanse politicoloog van Roemeense origine, niet zozeer om de mythen zelf (oorsprong, ontwikkeling, waarheidsgehalte) maar om hun actuele politieke betekenis. Welke rol spelen ze in de vorming van nieuwe samenlevingen? Hinderen ze een democratische ontwikkeling? Fantasies of salvation is een interessant boek over een belangrijk onderwerp, ietwat betweterig en verwaand soms, maar intelligent en leesbaar.

Geloofsartikelen

Nationale mythen zijn ideologische constructies, geloofsartikelen, onvervreemdbare waarheden waaraan geen empirische nuancering of ontkenning helpt. Ze zijn een vorm van metapolitiek. Tismaneanu koppelt politieke mythologie aan moderniteit. Ze behoort, meent hij, tot het geheel van ideologische waanvoorstellingen, van het bedrog en zelfbedrog, dat zin en begrip geeft aan de dramatische veranderingen van de moderne tijd. Mythologieën verschaffen zekerheid en saamhorigheid in tijden van twijfel en angst. De beperking van politieke mythologie tot een archaïsch, anti-modern sentiment, zoals Tismaneanu doet, lijkt me onjuist en dat geldt zeker voor de gelijkstelling van politieke mythologie en anti-westers of anti-liberaal denken. Mythen hebben altijd gediend om de kloof tussen de wereld van onze dromen en de harde werkelijkheid te overbruggen en het is juist deze kwaliteit die ze soms explosieve combinatie van eigenschappen verleent. Daar wijst ook Tismaneanu op: de politieke mythe is zowel een vorm van diepe overdenking als een oproep tot actie.

In het zinnebeeld van Polen als de 'Christus der naties' zijn alle essentialia van nationalistische mythologie aanwezig. Zelfmedelijden bijvoorbeeld. Wij Polen, wij Kroaten, wij Serviërs, wij Oekraïeners, Litouwers of Russen - wij hebben in de loop van onze geschiedenis geleden als geen ander volk. Wij zijn het ultieme, het eeuwige slachtoffer. En als men het vooral met zichzelf te doen heeft, dan is er weinig ruimte voor compassie met de ander. Waarom zou een Serviër die is verdreven uit de Krajina, zijn woongebied sinds mensenheugenis, enige rekening houden met de Kosovaren in wier midden hij nu is gedwongen te leven? Het nationale lijden is echter nooit zinledig. Zelfmedelijden is altijd gekoppeld aan een verheven, een bijna messianistische voorstelling van de lotsbestemming van de eigen natie. De kruisiging van hun natie was het hoogste offer dat de Polen voor het welzijn van Europa brachten. Zoals de Polen het avondland beschermden tegen de orthodoxe Rus, zo verdedigden de Bulgaren het tegen de islamitische Turk, de Kroaten tegen de Serviër en ga zo maar door. Het moet onbegrijpelijk zijn voor een goedgelovige Servische strijder waarom vrijwel de gehele ontwikkelde wereld zich in de recente Joegoslavische Successiesoorlog tegen hem keerde. Als hij in de strijd tegen de moslim Turk al niet stierf voor het nobele ideaal van een Groot-Servië, dan toch zeker voor het welzijn van Europa, zoniet voor de overleving van het christendom.

Zondebok

In de nationale mythologie wordt de reden van alle ellende per definitie buiten de eigen groep gezocht. Schuld wordt altijd afgeschoven. Een zondebok is nooit ver weg. Of het nu gaat om een fetisjisme van het kleine verschil (Kroaten versus Serviërs; Oekraïeners versus Russen) of om de ultieme 'andere', om de echte of vermeende, om de levende of symbolische jood - extreem nationalisme is vrijwel altijd gestoeld op xenofobie, op afkeer van het andere, het vreemde. Anti-semitisme is een vast bestanddeel van iedere verhandeling over nationalisme in oostelijk Europa, ook van Tismaneanu's Fantasies of salvation. Het lijkt een reflex: wie Oost-Europa zegt, zegt anti-semitisme. 'Samenzweringstheorieën floreren', schrijft Tismaneanu, 'van Servië tot en met Polen en van Roemenië tot en met Rusland'. In Rusland heeft zich een 'verlangen naar het communisme vermengd met een verheerlijking van fascistische en militaristische symbolen, en is de mythe van de internationale samenzwering van 'joden, vrijmetselaars en Wall Street' ingrediënt van een sterk anti-westerse, anti-kapitalistische, anti-semitische en anti-intellectuele houding.'

Tismaneanu heeft gelijk. Er is geen duurzamer, geen effectiever en geen wraakzuchtiger mythologie van de zondebok dan het anti-semitisme. Maar dan? Hoe interessant de vermeende wederopleving van anti-semitisme ook is als antropologisch verschijnsel, Fantasies of salvation handelt over het politieke gewicht van dergelijke sentimenten. En juist deze beoordeling blijft vaag en algemeen. Er is niet alleen een wezenlijk analytisch verschil tussen (individuele) anti-joodse opvattingen en anti-semitisme als een politiek fenomeen, dunkt mij, de verspreiding en reikwijdte van beide wordt gewoonlijk ook sterk overtrokken. Openlijk politiek anti-semitisme, dat wil zeggen de koppeling van anti-joodse voorstellingen aan politiek activisme ten behoeve van politiek gewin, is ook in oostelijk Europa, op een aantal incidenten na, een kwestie van de lunatic fringe.

Wat voor Tismaneanu's observatie van het anti-semitisme geldt, geldt in wezen voor zijn analyse van nationalistische mythen als zodanig. Staat de overtuiging en vasthoudenheid waarmee sommigen de mythische voorstellingen van de eigen en andermans natie presenteren wel in verhouding tot het beperkte politieke gewicht dat ze in de schaal leggen? Het probleem is niet dat Tismaneanu generaliseert, dat is onvermijdelijk in een studie naar nationale mythologieën in een zo diverse regio als oostelijk Europa, maar dat hij het vaak op de verkeerde momenten doet. De belangrijkste generalisatie blijft achterwege: wat is de werkelijke en actuele politieke betekenis van nationale politieke stereotypen in post-communistisch Europa?

Het is dikwijls een kwestie van beoordeling. Is de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië het gevolg van een historische, eeuwenlange vijandschap tussen diverse varianten van de vermeende Balkanmens? Of is ze het resultaat van een welbewuste, cynische propagandaslag van een maatschappelijke elite, uit op aanzien, macht en bezit? Waarom zouden we de omvangrijke achterban van de Russische communist Gennadi Zjoeganov afdoen als een typisch geval van politieke nostalgie en revanchisme? Ze kan immers ook worden beschouwd als een voorstelbare blijk van ongenoegen met de tergende en onbeschaamde sociale onrechtvaardigheid en politieke arrogantie van hetgeen gemeenlijk wordt getypeerd als de overgang naar marktkeconomie en politieke democratie in Rusland. De mythen die Tismaneanu in Fantasies of salvation ontmaskert, zijn echt. Ze leven. Ze zijn aantrekkelijk omdat ze vrijwel altijd herkenbaar zijn. Maar ze zijn ook een vorm van folklore, zelfs voor veel Oost-Europeanen.

Voor de westerse beschouwer daarentegen is radicaal nationalisme in oostelijk Europa vooral drama: theater. Onze voortdurende fixatie op vermeende nationalistische extremen en de conflicten die ze zouden voortbrengen creëert niet alleen nieuwe culturele stereotypen, maar ontneemt ons ook het zicht op veel minder mediagenieke en misschien wel algemener kenmerken van het eens communistische deel van ons continent. Milosevic, Tudjman, Karadzic en hun criminele vrienden kunnen niet verhullen dat de Balkan in de loop van haar geschiedenis niet alleen een plaats van oorlogen en etnische conflicten is geweest, maar ook een laboratorium van vreedzaam samenleven en tolerantie. Ondanks alle hindernissen die Tismeanu's 'fantasies of salvation' opwerpen voor de democratisering van oostelijk Europa, is de politieke verandering en vooruitgang van de regio over het geheel genomen toch minstens zo opmerkelijk als de vlucht in archaïsche, intolerante, pre-moderne nationale mythologieën. Ik begrijp niet dat iemand met de kennis van de regio waarvan Tismaneanu blijk geeft werkelijk meent dat het 'politieke landschap over het algemeen ontgoochelend en ontnuchterend' is.

In landen die nauwelijks de gelegenheid hebben gehad democratische ervaring op te doen, waar nationale soevereiniteit ten hoogste een herinnering was aan een ver verleden, en die het afgelopen decennium veranderingen hebben doorgemaakt waaraan zelfs een redelijk gezonde, stabiele en welvarende democratie ten onder had kunnen gaan, springt niet het intolerante radicalisme in het oog maar juist de terughoudendheid van de politiek. Er is veeleer sprake van instemming met (desnoods berusting in) de vereisten van de nieuwe tijd, dan van terugverlangen naar het verleden. De dynamiek van de verandering is opmerkelijker dan de kracht van de vermeende traditie. Joegoslavië is Oost-Europa maar Oost-Europa is geen Joegoslavië. In Polen, waar 95 procent van de bevolking katholiek is en 95 procent van de katholieken belijdend, is het niet opmerkelijk dat de kerk poogt politieke invloed uit te oefenen maar wel dat een groot deel der Polen hier weinig van moet hebben.

In de nogal eenzijdige oriëntatie op de onverdraagzame, de archaïsche aspekten van nationale stereotypen in oostelijk Europa laat Tismaneanu allerlei interessante en minstens zo originele elementen van politieke mythologie achterwege. Als er in ieder land sprake is van 'vrijzinnige' en 'onvrijzinnige' versies van nationalisme, zoals hij beweert, waarom lezen we dan niets over de eerste variant? Wat is de funktie van 'goede' mythen geweest, zoals de 'terugkeer naar Europa' of de gelijkstelling van politieke democratie, martkeconomie en welvaart? In zijn ijver de intolerante nationalistische mythologie in oostelijk Europa te ontmaskeren, creëert Tismaneanu zelfs zijn eigen stereotypen. Hoewel hij meent dat de deling tussen oostelijk en westelijk Europa 'kunstmatig' is, plaatst hij de nationalistische mythologie in het post-communistische deel van het continent consequent tegen de achtergrond van een dergelijk onveranderlijk cultureel onderscheid.

Rode draad

'Westers' is het ijkpunt. Politieke sentimenten zijn 'pro-westers', dat wil zeggen democratisch, modern en liberaal; of ze zijn 'anti-westers', namelijk autoritair, reactionair en intolerant. Deze stereotype dichotomie, die toch getuigt van een gering inlevingsvermogen in niet-westerse culturen, loopt als een rode draad door Fantasies of salvation. Ze komt echter vooral tot uiting in de sombere, bijna necrologische beschouwing over de politieke eenzaamheid van de dissidenten, de voormalige opposanten tegen het communisme (de Havels, de Michniks, de Kuróns en de Konráds).

Tismaneanu citeert Timothy Garton Ash: 'Aanvankelijk, met name eind 1989 begin 1990, was er een sprake van een breed gevoel dat Centraal-Europa een bijzondere plaats met een bijzondere historische missie zou zijn: het project van de Verlichting nieuw leven in te blazen, de mogelijkheden van de anti-politiek te verkennen, voorbij te gaan aan de Jacobijns-Leninistische wereld van egoïsme en politieke hebzucht, en de waarden van rechtvaardigheid en vrijheid te verenigen.' Natuurlijk was dit een mythe, zo geeft ook Tismaneanu nu toe, een positieve, een nobele voorstelling van de werkelijkheid weliswaar maar een onmogelijkheid.

Het is typerend dat Tismaneanu zich niet zozeer verwondert over dit uitgesproken voorbeeld van mythevorming a posteriori door Garton Ash maar dat hij zich ergert aan het feit dat diens collega's hun voormalige helden in het Oostblok sindsdien in de steek hebben gelaten. 'De westerse intellectuelen, belichaamd in The New York Review of Books, lijken uitgekeken op hun protegé's van weleer, wier huidige prestaties niet beantwoorden aan het speculatieve geloof in de grote belofte van de fluwelen revolutie', klaagt Tismaneanu. Wat is het probleem? De laatdunkende toon van sommige scribenten in The New York Review of Books lijkt me geen ernstige zaak. Na mythevorming volgt onvermijdelijk teleurstelling. Bovendien is de marginalisering van de meeste dissidenten in zekere zin een gunstig teken. De voormalige dissidenten zijn niet 'verslagen', zoals Tismaneanu meent, ze zijn ze niet meer nodig, in ieder geval niet meer onmisbaar. En tenslotte is ook hier de werkelijkheid diverser dan het beeld dat Tismaneanu oproept. Diverse voormalige dissidenten spelen nog steeds hun prominente politieke rol, zij het aangepast aan de grijze alledaagsheid van het post-communisme: van Vaclav Havel in de Praagse Burcht en Adam Michnik op de hoofdredactionele burelen van Polens populairste dagblad tot en met de historicus Bronislaw Geremek op 's lands ministerie van Buitenlandse Zaken.

Op het ideologische slagveld dat oostelijk Europa volgens Tismaneanu is, zijn al talloze slagen geleverd. En al zou het onverstandig zijn ervan uit te gaan dat de democratie uiteindelijk altijd zal zegevieren, voor het stereotype pessimisme waarmee het tegenovergestelde wordt beweerd, is evenmin veel reden. Het post-communistische deel van Europa wordt niet louter gedreven door nationalistische mythologie, tribale sentimenten of overige oerdriften. Polen is waarlijk opgestaan - als zeventiende lidstaat van de NAVO.

    • A.W.M. Gerrits