Column

Mijn neef & ik

Mijn neef en ik zijn neergestreken in mijn lievelingsonderweghotel, ergens in Midden-Frankrijk. We zijn laat, moeten nog eten en willen ook voetbal zien. We krijgen een tafel in het café. Geen ketenhotel dus. Frankrijk wint, maar mag het? Bijna de hele wedstrijd elf tegen tien, tot Zidane voor Kluivert gaat spelen en volledig onnodig op een gozer zijn rug gaat staan.

Geen discussie: Rouge!!! Na de overwinning op de Saoedi's is het stil op straat. Geen beschilderde zielenpoten, geen droeve havenzangerskroegen, geen rood-wit-blauwe huizen en geen supporters die hun blote kont laten zien. Het stadje is als altijd. Stadje dus. En toevallig wordt er in het land gevoetbald. Geen enkele reden tot paniek. Dit hotel geeft mijn exacte voetbalgevoel weer. Ik ken de ober al een jaar of vijftien en die man hoort onlosmakelijk bij deze tent, net als de mevrouw die de gangen nilfiskt en haar wat sjiekere zus achter de receptie. Beiden hebben een schoonzoon in de keuken.

Zo hoort het ook met spitsen, keepers, verdedigers en voorzitters. En met trainers eigenlijk ook. Daarom is het zo heerlijk dat de altijd aardig nors kijkende Guy Roux op de Franse televisie vanavond voor Wim Kieft speelt. “Auxerre”, roepen mijn neef en ik tegelijk en zien Guy zijn kennerszegje doen. Ik schrijf dit op een ochtend dat Michael van Praag onderweg is naar zijn Ajax en Eusebio zich klaarmaakt om wat voorbereidingen te treffen voor het nieuwe seizoen bij Benfica. Ik hou van Tonnie Pronk.