Literaire branchevervaging

Opnieuw een ontmaskering. In dienst van The New Republic was een 25-jarige verslaggever, Stephen Glass, die bewonderd en benijd werd om de verhalen die hij telkens weer uit zijn machine toverde. Of het nu over de integriteit van de vorige president ging, of over het parachutespringen of over het gat in de ozonlaag, Glass wist zijn zegslieden te vinden, en die vertelden hem weer geheimen die ze met geen ander hadden willen delen.

Zo heeft Glass 41 verhalen geschreven, bijna te mooi om waar te zijn. Onlangs werd ontdekt, dat dit bijna kan worden weggelaten. Bij deze verslaggever blijkt het genie in zijn duim te zitten.

Zoals men zich herinnert is er onlangs al opschudding ontstaan over een boek dat de biografie van een miskende, te vroeg gestorven schilder zou zijn: Nat Tate, an American Artist 1928 - 1960, geschreven door de Brit William Boyd. Het boek bevat allerlei overtuigende documentatie en reproducties van Tate's werk. Een paar kunstcritici die op de vernissage waren, verklaarden dat ze zich nog goed konden herinneren hoezeer ze onder de indruk waren toen ze er destijds mee werden geconfronteerd. De echte kunstcriticus kijkt en ziet niet maar wordt geconfronteerd. Velen werden boos toen ze hoorden dat Nat Tate geen biografie maar een roman was.

Ik heb toen in mijn stukje hierover het geval van de componist Willem Spark aangehaald. Op 24 juni 1943 is in het gijzelaarskamp door Wieger Bruin een herdenkingsrede over Spark uitgesproken. Ik dacht dat Simon Vestijk dat had gedaan, maar een aantal lezers heeft me op de vergissing attent gemaakt. Bij deze: dank! Een van hen was zelfs zo vriendelijk, me de kopie van de tekst te sturen die in 1965 bij L.J.C.Boucher is uitgegeven. Het is een doortimmerde verhandeling met een allure van deskundigheid en de proeve van een compositie, die je de overtuiging geeft dat de Willem Sparkweg in Amsterdam wel degelijk naar deze componist is genoemd en dat het Concertgebouw niet toevallig vlak in de buurt staat.

Stephen Glass zou er jaloers op zijn als hij dit geval kende. Maar hij heeft zich niet onbetuigd gelaten. Zo heeft hij een essay geschreven over het warmer worden van de dampkring waarbij hij zijn inlichtingen betrok van allerlei niet bestaande wetenschappelijke instellingen met zeer betrouwbaar klinkende namen. Tenslotte heeft hij zelfs een stadje in Iowa verzonnen, waar het al maanden lang onrustbarend boven het gemiddelde had geregend. Lees je veel van die dingen dan ga je je afvragen of Den Haag eigenlijk wel bestaat, en wat je zou doen als opeens bekend werd dat het verschijnsel door de parlementaire journalistiek in een geniale samenzwering was verzonnen en door de jaren heen was vervolmaakt. Kijk vanavond eens goed naar Jacques Wallage, bijvoorbeeld, om te beginnen.

En nu het merkwaardige. Terwijl de oplichters, in goede of kwade trouw, buiten de literatuur terrein winnen, worden steeds meer schrijvers tot verslaggevers van hun eigen leven. Het wordt beschreven door Aleid Truijens, in haar essay Honger naar echt (de Volkskrant, 29 mei). De romancier schept niet meer een eigen wereld. 'Het merendeel van de literatuur van de jaren negentig verhaalt het leven van de schrijver zelf. (-) In recente romans sterven vaders, sneuvelen huwelijken, valt de Grote Liefde dood neer, zien baby's het licht (-) net zoals bij de lezer thuis.' Na een lange, overtuigende redenering, te gecompliceerd om hier samen te vatten, komt ze tot de slotsom: 'De tijd waarin de schrijvers bouwden aan een groot, mythisch wereldbeeld is voorbij. Er is geen megalomaan meer opgestaan die daartoe de moed heeft.' En tot besluit: 'Een roman die laat zien dat de 'waarheid' niet noodzakelijk in het eigen leven besloten ligt, wat zou dat mooi zijn.'

Ik ben het met haar eens. De echtheid die door de romancier als verslaggever van zijn eigen leven wordt bewerkstelligt, leidt in de literatuur tot inflatie, raakt verwant aan reality-tv en emotie-tv. Hoe gekker hoe beter (waarbij we gekker in de ruimste zin moeten begrijpen. Je hoeft er niet meteen schuimbekkend bij in het rond te springen). De ware fictie komt op het ogenblik in opzienbarende vorm van de fantasten en de oplichters onder de journalisten in de journalistiek. Voor de echtheid moet je bij de journalisten in de literatuur zijn, d.w.z. degenen die zichzelf tot de opperste bron van het nieuws hebben gemaakt en wier boeken dikke kranten over zichzelf zijn.

    • H.J.A. Hofland