Leren dansen en zingen tegelijk; Studeren aan de Kleinkunstacademie

Acda & De Munnik, De Vliegende Panters en Lenette van Dongen: de succesvolle nieuwe generatie cabaretiers heeft de Kleinkunstacademie achter de rug. Een school waar je alles kunt doen, als je maar weet wat je wilt. Zesde aflevering in een wekelijkse serie over kunstonderwijs in Nederland.

Burgermansbruiloft door de eindexamenklas van de Academie voor Kleinkunst: 19 en 20/6 in de Kleine Komedie, Amsterdam. In het Internationaal Theaterschool Festival: 29 en 30/6 in de Brakke Grond, Amsterdam.

Van onder het olijke petje op zijn hoofd kijkt Pepijn Gunneweg naar zijn klasgenote Maria Noë en zegt: “Zij komt uit Vlaardingen en ik uit Alkmaar. Geen van tweeën kwamen we daar mensen tegen op wie we ideeën konden afvuren en aan wie we ons konden optrekken. Die wáren daar gewoon niet. Terwijl anderen Guns & Roses op hun walkman hadden, liep ik met bandjes van Toon Hermans rond. Pure magie vond ik dat. Maar dat gevoel kon ik met niemand delen. Voor mij is dat een belangrijke reden geweest om hier auditie te doen. Hier vind je ze namelijk wèl. Het enige waar je in het begin even aan moet wennen, is dat jij altijd de leukste thuis bent geweest. Nu zit je opeens met zeven anderen die ook allemaal de leukste thuis zijn geweest.”

Pepijn Gunneweg (22) en Maria Noë (21) zijn eerstejaars-studenten aan de Academie voor Kleinkunst in Amsterdam, onderdeel van de Theaterschool in de nieuwbouw aan de Jodenbreestraat. Of ze naar het tweede jaar mogen overgaan, weten ze nog niet. Dat hangt mede af van hun prestaties in het voorprogramma bij Burgermansbruiloft van Brecht, de voorstelling die de eindexamenklas nog vanavond en morgenavond speelt in de Kleine Komedie (en later deze maand in het Internationaal Theaterschool Festival). Achter diverse deuren in de lange gang op de achtste verdieping klinkt repetitie-geraas.

“Ik weet nog helemaal niet welke kant ik op ga,” zegt Maria. “Ik vind Hans Teeuwen fantastisch, maar ik heb nog geen flauw idee of ik zoiets ook zelf zou kunnen. Juist met de hulp die je op deze school krijgt, hoop ik erachter te komen wat mijn sterke en zwakke kanten zijn. Natuurlijk denk je, als je hier komt, dat je heel goed bent, maar daar kom je wel van terug. Nu gaat het erom uit te vinden hoe je het best verder kunt. Soms zijn daar lessen voor nodig waarbij je je afvraagt: waarom moet ik dit doen? Spraaklessen bijvoorbeeld. Je denkt aan cabaretiers met een dialect die toch heel ver zijn gekomen. Maar dan wordt je duidelijk gemaakt dat je misschien wel iets van een dialect kunt hebben, maar dat je toch in de allereerste plaats verstaanbaar moet zijn. Ik dacht dat ik verstaanbaar was - dat viel dus tegen.”

Pepijn: “Je zou in dit vak ook meteen kunnen beginnen, zonder eerst naar een school te gaan. Alleen loop je dan het risico dat je meteen één bepaalde kant op gaat, zonder dat je ooit alle andere mogelijkheden hebt onderzocht. En binnen de bescherming van de school kun je ook voluit op je bek gaan. Elke dag is er een moment dat ik denk: ik kan eigenlijk niks. Maar je wordt nooit helemaal afgebroken. Er is altijd wel iemand die je op een idee brengt waarmee je weer verder kunt.”

Persoonlijkheid

De opleiding aan de Kleinkunstacademie - de enige gesubsidieerde opleiding in het amusementsgenre - duurt vier jaar. In de onderbouw wordt twee jaar lang les gegeven in alle vakken: van theatertheorie en -geschiedenis tot diverse dans-genres, van zang en solfège tot tekstschrijven, componeren en dramaturgie. Na twee jaar, in de bovenbouw, kan voor een specialisme worden gekozen. Dan worden er veel eigen programma's gemaakt en is er ruimte voor stage-projecten. “Je mag doen wat je wilt”, zei ex-student Thomas Acda toen hij laatst als succesvol cabaretier te gast was in tv-programma De Plantage, “als je maar weet wat je wilt.”

Artistiek leider Ruut Weissman knikt enthousiast; zo kernachtig was het nog niet eerder onder woorden gebracht. Jaarlijks dienen zich bij 'de Kleinkunst' enkele honderden kandidaten aan. Hooguit tien worden er aangenomen. De school selecteert op vaardigheden en oorspronkelijkheid, zegt hij. “Vroeger werd voornamelijk gekozen voor een bepaald soort leerlingen - esthetisch verantwoord, goede stemmen, goede lijven. Dat heeft op den duur een soort truttigheid veroorzaakt. Nu gaat het er in eerste instantie om of iemand een interessante verschijning op het toneel is. Van alles zit er tegenwoordig tussen: mensen die heel dik zijn, vrouwen die niet mooi zijn, noem maar op. Als we maar het gevoel krijgen dat iemand een persoonlijkheid zou kunnen zijn.”

Vroeger, dat was de Kleinkunstacademie uit het begin, voortgekomen uit een initiatief van Bob Bouber in 1960 en tot wasdom gebracht door de choreograaf Johan Verdoner. Het was de tijd van de vele shows en showtjes op de televisie, die veelal een ensemble uit Engeland moesten halen, want in Nederland waren er nauwelijks mensen die konden zingen en dansen tegelijk. Wie toen naar de Kleinkunstacademie ging, wilde het evenbeeld van Jasperina de Jong worden. Dat gold begin jaren tachtig ook nog voor Karin Bloemen, die op haar beurt een lichtend voorbeeld werd voor velen die na haar kwamen. Maar al in de klas van 1981 diende zich ook het andersoortige talent aan van studenten als Kees Prins en Arjan Ederveen. Sindsdien ziet de school erop toe niet alleen geoefende uitvoerders af te leveren, maar ook de meer grillige types die zelf voorstellingen verzinnen.

Toch wordt Weissman nog regelmatig om de oren geslagen met de namen van grootheden als Brigitte Kaandorp, Paul de Leeuw en Hans Teeuwen, die grote hoogten bereikten zonder ooit één voet in de Kleinkunstacademie te hebben gezet. Met andere woorden: is die school wel echt nodig?

“Per generatie zul je altijd een paar vedetten hebben die er zonder opleiding zijn gekomen”, antwoordt hij. “Daar is verder geen zinnig woord over te zeggen. Maar zo'n school zou je kunnen vergelijken met de Ajax-opleiding. Nog steeds komen er topvoetballers uit het niets naar boven, maar intussen breng je de middenklasse op een hoger niveau - en daarmee het hele vak. Er is, denk ik, geen enkele andere kunstvorm waarin zo wordt gebeunhaasd als in de kleinkunst. Aan wetenschappelijk onderzoek en research gebeurt nauwelijks iets en in de kranten is er voor dit genre meestal veel minder ruimte dan voor toneel of opera. Bovendien is die journalistiek vaak slecht. Het is, alles bij elkaar, een mager vak. Daarom vind ik het des te belangrijker dat het hier tenminste op één plek wordt geformaliseerd, en dat we vanuit deze school nog de mogelijkheid hebben iets aan kwaliteitsbewaking te doen.”

Intussen heeft Pim van Alten (22) even vrij gekregen van de repetities voor Burgermansbruiloft. Hij is, zwaarlijvig en lichtvoetig tegelijk, een opvallend vertegenwoordiger van de eindexamenklas. “Toen ik op een donderdagochtend om negen uur in een les theatergeschiedenis naar een verhaal over Brecht moest luisteren”, zegt hij, “was dat niet iets waar ik veel zin in had. Maar nu voor onze eindexamenpresentatie het idee is opgekomen om Brecht te spelen, zie ik opeens de waarde daarvan. En ik moet er meteen aan toevoegen dat ik via een van de andere theorievakken op video kennis heb gemaakt met Hauser Orkater. Dat kende ik helemaal niet.” Nu heeft hij, in de personalia in het programmaboekje voor de Kleine Komedie, als favoriete voorstelling ingevuld: Orkater.

Het eerste jaar, zegt Van Alten, slokt je helemaal op. Daarna wordt er echter volop gebruik gemaakt van de mogelijkheid op vertoon van de collegekaart voor vijf gulden naar voorstellingen te gaan. “Twee, drie keer in de maand lukte meestal wel.” Tot de populairste voorstellingen van de afgelopen jaren behoorden die van Acda & de Munnik, de Vliegende Panters en Lenette van Dongen - alle zes ex-studenten, trouwens.

Weggezaagd

Wie afkomstig is uit de protestgeneratie, zoals Weissman, ziet met verbazing hoe zelden de huidige studenten de neiging hebben zich af te zetten tegen hun voorgangers. Van een generatiekloof is, zo te zien, geen sprake meer. Ook de afstuderende Pim van Alten rekent Toon Hermans tot zijn inspiratiebronnen, al gingen zijn gedachten aanvankelijk meer uit naar het voorbeeld van Bram Vermeulen. “Ik was een zanger bij een bandje, ik zong liedjes bij de gitaar. Maar ik ambieerde ook om te kunnen dansen en zingen tegelijk. Daarom ben ik naar de Kleinkunst gegaan. In het eerste jaar heb ik gemerkt dat tapdans en flamenco-dans mij niet lukten. Maar dan heb je de vrijheid om te zeggen: dat wordt niks voor mij. Hetzelfde gold voor tekstschrijven.”

Tijdens dat eerste jaar, zo heeft Van Alten gemerkt, kunnen de meeste studenten hun vertrouwen in de eigen vaardigheden nog redelijk in stand houden. “In het tweede jaar worden de poten onder je stoel finaal weggezaagd. Pas daarna kom je toe aan het ontwikkelen van een eigen stijl.” Zelf werd hij een zanger, speler en danser met komisch talent, die dit voorjaar zijn draai vond in het ensemble van de hilarische musical-parodie Miss Kaandorp. Onder de voortvarende leiding van de ongeschoolde Brigitte Kaandorp speelde de hele eindexamenklas daarin mee. Tja, zei de vedette van de show in elk interview, ze waren goedkoop. “Dat klopt,” zegt Ruut Weissman. “Maar het mes sneed aan twee kanten, want het was voor iedereen een heel nuttige ervaring om vijftig, zestig keer een voorstelling te spelen. Op school kom je nooit verder dan vier of vijf keer.”

Alle acht eindexamenstudenten hebben intussen auditie gedaan bij de nieuwe versie van de musical Heerlijk duurt het langst, die dit najaar op tournee gaat. Twee zijn aangenomen, de andere zes niet. Van hen heeft Pim van Alten, die nog een jaar studiefinanciering heeft, toestemming gekregen voorlopig op school te blijven voor het uitwerken van een project. Ruut Weissman gaat op zulke verzoeken bij voorkeur niet in; hij beseft dat sommige studenten node afscheid nemen van de beschermde omgeving van de school, maar de beroepspraktijk laat zich nu eenmaal niet eindeloos uitstellen. Soms, als hem een veelbelovend plan wordt voorgelegd, maakt hij echter een uitzondering. Vorig jaar, toen de afgestudeerde Jurrian van Dongen nog even mocht blijven, leverde dat de in Klein Carré gespeelde kamermusical Obsession op.

Pim van Alten heeft overigens vorig seizoen zijn vuurdoop al gekregen, in het ensemble van de musical Eindeloos! “Toen ik voor het eerst in die enorme bak stond van het Chassé Theater in Breda, moest ik wel even slikken. Meteen daarna was het een meesterlijk gevoel, waar ik met volle teugen van heb genoten. Met z'n allen in de bus het land door - als een verkapt schoolreisje. Ontnuchterend? Nee, integendeel, dit is wat ik wil!”

    • Henk van Gelder