Jane Jacobs: The Death and Life of Great American Cities, 1961

Jane Jacobs: The Death and Life of Great American Cities. Vintage Books, New York, 458 blz. ƒ 32,25

'Dit boek is een aanval op de gangbare stedenbouw en stadsvernieuwing.' Duidelijker dan met deze eerste zin kon de Amerikaanse Jane Jacobs haar boek The Death and Life of Great American Cities niet beginnen. Vierhonderdvijftig bladzijden heeft ze vervolgens nodig om af te rekenen met de modernistische stedenbouw. Smalend noemt ze de goedwillende modernistische stedenbouwers 'the Utopians' en hun plannen 'idiotic'. 'Wijken bouwen die op maat zijn gemaakt voor gemakkelijke misdaad is idioot. Toch doen we dit', schrijft ze verontwaardigd.

The Death and Life of Great American Cities verscheen in 1961, toen het modernisme in de stedenbouw en architectuur zijn hoogtepunt beleefde. Licht, lucht en ruimte, die voor de Tweede Wereldoorlog sporadisch waren toegepast in de buitenwijken van Europese en vooral Duitse steden, waren na 1945 de norm geworden voor de westerse stedenbouw. In de Verenigde Staten kreeg dit vaak de vorm van 'projects', zoals de sociale woningbouw daar wordt genoemd. In de Lower East Side van New York bijvoorbeeld werden grote stukken van de oude rasterstad vervangen door hoge woontorens in een parkachtige omgeving. Zo had Le Corbusier zich zijn Ville Radieuse, zijn ideale stad in het groen, ongeveer voorgesteld. Maar de gevolgen waren rampzalig, laat Jacobs zien. Het vernieuwde deel van de Lower East Side was veranderd in een no go area, waar iedere bewoner die het zich kon veroorloven maakte dat hij wegkwam en zo verhinderde dat er ook maar een begin van een buurt onstond.

Systematisch gaat Jacobs alle modernistische stedenbouwkundige dogma's te lijf. Zo zijn straten in de ogen van de modernisten verfoeilijk, omdat ze een optimale bezonning van de woningen verhinderen. Maar mensen houden juist van drukke straten met winkels, restaurants en cafés, schrijft Jacobs. Voor modernisten is de 'open ruimte' bijna een panacee voor alle stedelijke kwalen, aldus Jacobs, maar in praktijk leiden ze vaak tot nog meer ellende. Juist in parken gebeuren vaak de afschuwelijkste dingen, zo weet Jacobs uit ervaring en krantenberichten. Kinderen kunnen daarom beter op straat spelen, omdat daar vele ogen - van winkeliers, bewoners en voorbijgangers - het straatleven in de gaten houden.

Jacobs' uitgangspunt is niet het gewenste gedrag van bewoners, maar het straatleven zoals iedereen dagelijks om zich heen ziet: The Death and Life of Great American Cities is een empirisch boek. Heel precies gaat Jacobs bijvoorbeeld na wie van een straat gebruik maken en op welke tijdstippen zij dit doen. Of ze bepaalt welk effect de omvang van de blokken in de rasterstad New York hebben voor het straatleven en doet vervolgens de aanbeveling om de blokken niet te groot te maken. Hierbij put ze niet alleen uit eigen ervaring als bewoonster van Manhattan, maar ook uit belevenissen van vrienden en buren. Verder gebruikt ze artikelen uit kranten en tijdschriften, sociologische rapporten en overheidspublicaties om haar gelijk te bewijzen. Al deze bewijsstukken heeft Jacobs aaneengesmeed tot een meeslepend en vooral overtuigend relaas, dat veertig jaar later de lezer nog steeds instemmend doet knikken.

Functiescheiding is het toverwoord van de modernistische stedenbouw, dus is het niet verrassend dat diversiteit het kernbegrip van Jacobs' boek is. Jacobs laat zien dat een wijk niet lijdt onder de vermenging van functies als wonen, werken, recreëren, winkelen, maar er juist baat bij heeft. Ook moeten verschillende bevolkingsgroepen bij voorkeur worden gemengd: sociale woningen moeten niet in afzonderlijke wijken worden ondergebracht, maar met de rest van de stad worden verweven.

The Death and Life of Great American Cities is een ode aan de metropool. Jacobs houdt van de dynamische grote stad, die een bron is van nieuwe ideeën, nieuwe bedrijvigheid en nieuwe kunst. Hierin verschilt ze radicaal van de modernistische stedenbouwers, die met Ebenezers Howards tuinstad en Le Corbusiers 'Ville Radieuse' in het achterhoofd, de grote stad als iets onhygiënisch en perverterends zagen. Deze haat tegen de grote stad is uiteindelijk de bron van alle desastreuze plannen die veel twintigste-eeuwse steden in Europa en de Verenigde Staten hebben vermoord.

Bij mijn weten is Jacobs' The Death and Life of Great American Cities nooit in het Nederlands vertaald. Er zullen wel Nederlandse sociologen en sociaal geografen zijn geweest die Jacobs' boek kort na verschijning hebben gelezen, maar in de Nederlandse stedenbouw baarde het geen opzien. Misschien dachten de Nederlandse stedenbouwkundigen en architecten door de titel van het boek dat het alleen van toepassing was op Amerikaanse steden. Of misschien leefden ze in de veronderstelling dat het een puur sociologische verhandeling was, omdat er geen ontwerptekeningen in stonden. In elk geval ging de Amsterdamse Dienst Ruimtelijke Ordening na de verschijning van het boek onverstoorbaar verder met het ontwerp van de Bijlmer, de satellietstad waar de stedenbouwkundige principes van Le Corbusier tot het uiterste werden doorgevoerd. Alles wat hier mis ging - het gevoel van onveiligheid na zonsondergang, de onherbergzaamheid van de parkeergarages en winkelcentra, het grote verloop van de bewoners, enzovoort, enzovoort - had iemand met The Death and Life of Great American Cities in de hand al lang voor de voltooiing van de wijk in de jaren zeventig gedetailleerd kunnen voorspellen.

Ook na de mislukking van de Bijlmer en soortgelijke Nederlandse buitenwijken heeft The Death and Life of Great American Cities nauwelijks een rol gespeeld in de Nederlandse stedenbouw. Een reden zou kunnen zijn dat Jacobs' boek werd ingelijfd door het postmodernisme, een stroming waarvoor Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen allergisch bleken te zijn. In 1977 omschreef Charles Jencks in zijn The Language of Post-modern architecture Jacobs' boek als een voorloper van het door hem zo welbespraakt bepleite postmodernisme in de architectuur. 'Het is fascinerend om vast te stellen dat het 'Jacobijnse manifest' precies past in het meeromvattende postmoderne paradigma dat terzelfdertijd aan het ontstaan was', schrijft Jencks. Hij stelt bij Jacobs een 'preoccupatie met diversiteit en verschil' vast die ook de postmoderne filosofie en politiek kenmerkt. 'Georganiseerde complexiteit als idee, feit en stijl typeert het urbanisme van Jane Jacobs, de architectuur van Robert Venturi en de literatuur van Umberto Eco - en deze uiteenlopende manifestaties vatten het postmoderne paradigma samen', schrijft hij. 'Venturi's Complexity and Contradiction in Architecture uit 1966 wordt na Jacobs' boek beschouwd als het tweede grote tractaat van de postmoderne architectuur.' Maar in Nederland, waar als nergens anders ter wereld het modernisme de architectuur is blijven beheersen, is dit laatste geen aanbeveling voor een boek.

Inmiddels heeft volgens veel architecten en critici het postmodernisme zijn beste tijd gehad in de architectuur. Maar Jacobs' boek, waarin het woord postmodernisme overigens niet één keer valt, staat nog steeds overeind. Zo is het niet moeilijk om op basis van Jacobs' boek te voorspellen dat de VINEX-wijken, die nu in overal in Nederland in aanbouw zijn, later problemen gaan opleveren. De door de rijksoverheid gewenste dichtheid van ongeveer 35 woningen per hectare in deze nieuwe wijken dicht bij de grote steden is noch grootstedelijk noch suburbaan. Ook hebben deze wijken hoofdzakelijk één functie: wonen. 'De stadsdelen die het moeilijkst zijn te repareren zijn de grijze woongebieden die de inbreng van werk ontberen om op voort te bouwen, en die ook geen hoge dichtheid van woningen kennen', schrijft ze in het hoofdstuk 'The need for mixed primary uses', alsof ze zojuist een bezoek heeft gebracht aan een nieuwe Nederlandse VINEX-wijk.