Jacqueline Harpman, schrijfster en psychoanalytica; Kaartenhuizen van de geest

Jacqueline Harpman: L'orage rompu. Grasset, 217 blz. ƒ 45,15

Ik die nooit een man heb gekend (Moi qui n'ai pas connu les hommes). Uit het Frans vertaald door Peggy van der Leeuw. Thoth, 192 blz. ƒ 34,90

De Waalse schrijfster Jacqueline Harpman (69) is mateloos gefascineerd door het functioneren van de menselijke geest. Als psychoanalytica bestudeert ze die dagelijks in de verhalen van haar cliënten. Als romanschrijfster laat ze haar verbeeldingskracht samenvloeien met haar nieuwsgierigheid naar de kronkels van de psyche en plaatst ze haar personages, niet zonder humor, in de meest vreemdsoortige situaties. Vervolgens kijkt ze geïnteresseerd en geamuseerd toe hoe ze zich gedragen.

In Orlanda bijvoorbeeld, in 1996 bekroond met de prix Médicis, laat Harpman de mannelijke helft van haar vrouwelijke hoofdpersoon ontsnappen en zijn intrek nemen in het brein van een aantrekkelijke jongeman, die op dat moment in de stationshal een kopje koffie zit te drinken. De vrouw gaat achter haar rebellerende, voortvluchtige mannelijke element aan en wat volgt is een uitermate vermakelijk en spannend verhaal, dat niet alleen een boeiend uitgangspunt is voor een analyse van zogenaamd 'mannelijke' en 'vrouwelijke' eigenschappen, maar ook vol zit met humor en literaire verwijzingen en en passant de perfecte moord beschrijft.

In haar onlangs verschenen elfde roman, L'orage rompu, laat Harpman haar personages wederom in een heftige, existentiële crisis terechtkomen. Onder het rustige leventje van de twee hoofdpersonen worden de grondvesten weggeslagen door 'a crack of light between two eternities of darkness', zoals het citaat van Nabokov aan het begin van het boek luidt. Een vrouw en een man ontmoeten elkaar in de restauratiewagen van de sneltrein van Parijs naar Brussel. Zij is een expert in het duiden van statistieken, bovenmatig intelligent maar desondanks erg onzeker. Ze komt terug van de begrafenis van haar ex-man, die haar twaalf jaar heeft gekoeioneerd. Hij is het type knappe zakenman in driedelig grijs, koel, snel verveeld en getrouwd met een charmante vrouw wier leven draait om de kinderen en de tuin.

Deze twee mensen, die maar enkele uren samen doorbrengen, komen via de blik van de ander tot verrassende nieuwe inzichten over hun jeugd en over hun ouders en spreken binnen tien minuten zonder enige schroom over hun meest intieme gevoelens - iets waar de barrière van de moraal hen normaal van zou hebben weerhouden. Onder onze ogen vindt een onomkeerbare chemische reactie plaats en wordt een passie geboren.

De emotionele wervelwind waarin de personages verzeild raken wordt weerspiegeld in de snelle, ononderbroken vertelvorm, waarbij herinneringen, dialogen en gedachten elkaar zonder één enkele witregel opvolgen. Deze constructie geeft Harpman de gelegenheid om in haar mooie, klassieke proza met grote vaart thema's aan de orde te laten komen die haar na aan het hart liggen. De vernietigende werking van hartstocht is daar één van. In vorige romans als Het strand van Oostende en Het geluk in het kwade is oncontroleerbare, nietsontziende hartstocht de oorzaak van dood en verderf. In L'orage rompu vallen voor het eerst geen onschuldige slachtoffers. 'Ik geloof dat ik hartstocht verafschuw', zegt de innerlijk verscheurde vrouwelijke hoofdpersoon, die daarmee de storm van hartstocht die in haar opsteekt bezweert - uit angst, uit lafheid, maar ook omdat ze weet dat 'liefde sterft en dat alleen datgene wat niet is gebeurd de oneindige gratie van de droom behoudt'.

Het kwetsbare kaartenhuis waarin het leven bij Harpman zich afspeelt, vol afgesloten kamers en onderaardse gangen, kan bij het minste zuchtje wind plotseling in elkaar storten. Tijdens ontdekkingstochten naar hun diepste wezen verdwijnen er personages in onverwachte, emotionele valkuilen of stellen zij vast dat zich achter hun gangbare, bordkartonnen masker eigenlijk een heel ander mens bevindt. 'Wie ben ik?' is dan ook de kernvraag die Harpmans hoofdpersonen zich altijd stellen.

Een ander favoriet thema van de schrijfster is dat van de telepathie of, beter gezegd, van het ontbreken daarvan in menselijke relaties. Ook in L'orage rompu neemt zij de romantische gedachte op de korrel dat mannen en vrouwen elkaar zonder woorden zouden aanvoelen of begrijpen. Door perspectiefwisselingen laat zij met veel humor zien hoe, bij gebrek aan helderziendheid èn aan werkelijke communicatie, misverstanden zich torenhoog opstapelen en onvermijdelijk tot desillusies leiden.

Het kompas waarop je volgens Harpman altijd veilig kunt varen is dat van de ratio en van de reflectie, van de honger naar kennis. Het betekent de redding van de vrouwelijke hoofdpersoon uit Ik die nooit een man heb gekend, de roman die in Frankrijk vóór Orlanda verscheen maar daar in geen enkel opzicht mee te vergelijken is. Geen sfeervolle herenhuizen, maar betonnen, ondergrondse kelders en uitgestrekte, science-fiction-achtige dorre vlakten. Geen enkele man, maar veertig wanhopige vrouwen die meer dan twintig jaar, om onbekende redenen, in een kooi gevangen zijn gehouden en zich na hun ontsnapping verbijsterd afvragen of ze misschien op een andere planeet zijn beland.

Van de jongste vrouw, die nooit eerder in vrijheid heeft geleefd, kun je je met recht afvragen of zij wel menselijk is. Omdat zij noch haar ouders noch andere familieleden heeft gekend, wordt zij niet gekweld door herinneringen en verlangen naar vroegere liefdevolle warmte, maar beschikt zij ook niet over het palet aan tegenstrijdige gevoelens dat bijvoorbeeld L'orage rompu zo boeiend maakt.

Ik die nooit een man heb gekend schetst op een aangrijpende, nachtmerrie-achtige manier de verschrikkingen van eenzaamheid, van een geheel en al op zichzelf teruggeworpen zijn. Hoe is het te leven zonder liefde, zonder zinvol heden en vooral met als enige toekomstige zekerheid de dood? Hoe houd je je staande in een vacuüm van tijd en ruimte terwijl je innerlijk net zo dor is als de onvruchtbare vlakten om je heen?

Het is een extreme situatie die van de lezer nogal wat geduld en inlevingsvermogen vergt, temeer daar het boek ditmaal elke vorm van humor ontbeert en de lezer bovendien volledig in het duister tast over het hoe en waarom van de uitzichtloze situatie van de hoofdpersoon. Menselijke trekken krijgt dit personage alleen dankzij haar wil te ontdekken, op onderzoek uit te gaan, te leren en te interpreteren. Haar nieuwsgierigheid blijft haar leidsman, hoe bar en zinloos haar ronddolen ook is. Ze vindt haar leven volledig onbeduidend, maar voelt toch de behoefte het te boekstaven - het blijkt de enige gelukkige, zinvolle tijdsbesteding uit haar bestaan. 'Zit er soms in de activiteit van het zich herinneren een bevrediging die gevoed wordt door zichzelf', vraagt de vertelster zich af, 'en is de herinnering als zodanig soms minder belangrijk dan de activiteit van het zich herinneren?' Het is een vraag die de psychoanalytica Harpman - zoveel meer geïnteresseerd in mentale zoektochten dan in droge feiten uit het verleden - ongetwijfeld bevestigend zou beantwoorden.

Ook Het strand van Oostende, Het geluk in het kwade en Orlanda verschenen in een Nederlandse vertaling bij uitgeverij Thoth.