'Internationaal recht laat dictators lopen'; Theo van Boven over oprichting nieuw strafhof

Nederland zet hoog in bij de conferentie over de oprichting van een Internationaal Strafhof. Volgens delegatieleider Van Boven moet er in ieder geval een onafhankelijke aanklager komen.

ROME, 19 JUNI. “Een kind dat een brood steelt loopt meer kans om gestraft te worden dan een dictator die de dood van tienduizenden mensen op zijn geweten heeft. Dat is obsceen. Daar blijkt dat de internationale rechtsorde vaak tekort schiet. Daarover vergaderen we hier.”

De conferentie over de oprichting van een Internationaal Strafhof in Rome is nog maar net begonnen, maar Theo van Boven, de leider van de Nederlandse delegatie, verwacht een moeizaam gevecht. De geplande vijf weken zijn meer dan nodig. Nederland zet hoog in, op een onafhankelijke openbare aanklager wiens actieradius niet door allerlei clausules is ingeperkt. Maar een aantal landen heeft daar grote moeite mee.

De Amerikanen vinden dat de aanklager moet opereren onder supervisie van de Veiligheidsraad. “Ik verwacht ook grote problemen met India, Pakistan, de Arabische landen”, zegt Van Boven in een gesprek in de fauteuils naast de grote vergaderzaal, in aanwezigheid van andere delegatieleden. Delegatielid Onno van der Wend, hoofd van de militaire juridische dienst van de landmacht, voegt daaraan toe: “Met de meeste landen zijn we het wel eens over de omschrijving van oorlogsmisdrijven, maar met landen als India en Pakistan ontbreekt zelfs die overeenstemming.”

Los van de definitie groeit er wel overeenstemming over de zaken die het hof in ieder geval moet kunnen vervolgen: genocide, misdaden tegen de menselijkheid, en oorlogsmisdaden. Sommige landen willen drugssmokkel en terrorisme toevoegen aan dit lijstje, maar daarvoor is weinig steun.

Het belangrijkste knelpunt is de rol van de VN-Veiligheidsraad. Van Boven heeft goede hoop over het compromisvoorstel van Singapore. “We hadden een tekst dat het straftribunaal niet kan handelen tenzij de Veiligheidsraad het groene licht geeft. Dat betekent dat één land met vetorecht, China bijvoorbeeld, de zaak kan tegenhouden. In het nieuwe voorstel ga je je gang tenzij je wordt teruggefloten. Maar dat terugfluiten is ook een beslissing van de Veiligheidsraad, en daarover kan één lid, zeg Groot-Brittannië of Frankrijk of de Verenigde Staten, zijn veto uitspreken. Dat is een totaal andere propositie.”

De Verenigde Staten hebben gezegd dat een aanklager met initiatiefrecht, die zelf een onderzoek mag beginnen, voor hun onaanvaardbaar is. Van Boven durft nog niet te zeggen of dit louter onderhandelingstaktiek is. “Dat initiatiefrecht is langzamerhand door vrijwel elk redelijk land aanvaard. Als dit echt hun standpunt blijft, dan houdt het op.”

Hij zou er niet zo zwaar aan tillen als de VS een verdrag over een strafhof niet zouden ondertekenen. “We moeten allereerst een goed instituut scheppen. Amerika is altijd langzaam met het ratificeren van verdragen. Ze hebben het genocideverdrag pas na dertig jaar geratificeerd. Op een bepaald moment doen ze het toch wel.”

Van de Amerikaanse angsten dat de openbare aanklager een soort ombudsman wordt die allerlei problemen op zijn bord krijgt en politiek kan worden gestuurd, is Van Boven “niet onder de indruk.”“Het gevaar is veel groter dat als we het alleen aan politieke organen overlaten een heleboel ernstige zaken onder tafel blijven liggen. We mogen toch verwachten dat een openbare aanklager niet in het wilde weg, from the hip, alle kanten uit gaat schieten. Daarvoor zijn garanties ingebouwd: een pre-trial kamer, bestaande uit juristen van het hof zelf, die moet vaststellen of er genoeg aanleiding is voor een onderzoek.”

En de angst dat Amerikaanse soldaten in internationale missies door het hof worden vervolgd wegens oorlogsmisdaden? Van Boven speelt de bal door naar delegatielid en expert Herman von Hebel. “Het hof treedt pas op als een land unable or unwilling is om oorlogsmisdaden te berechten. Op het moment dat je vaststelt dat het Amerikaanse strafrecht effectief is, en daar kun je van uitgaan, dan hebben ze voldoende argumenten om te zeggen dat het strafhof daar niet naar hoeft te kijken.” Dat gegeven kan landen ertoe zetten om hun eigen wetgeving over oorlogsmisdaden aan te scherpen. “Op korte termijn kan dit het belangrijkste effect zijn van het strafhof,” zegt Von Hebel.

Maar de discussie over de vraag in hoeverre de medewerking van landen vereist is, is nog lang niet voorbij. “In principe gaat het hier om een verdrag”, zegt Van Boven. “Alleen de landen die het geratificeerd hebben, zijn tot medewerking verplicht.” Er is wel een omweg mogelijk: “De Veiligheidsraad kan gebruik maken van zijn bevoegdheden op het gebied van internationale vrede en veiligheid om een zaak aanhangig te maken bij het strafhof. Maar een vorm van samenwerking blijft nodig, want het strafhof heeft geen politiemacht ter beschikking.”

De relatie tot bestaande tribunaals, voor het voormalige Joegoslavië en voor Rwanda, is nog onzeker. “De bevoegdheid van het Rwanda-tribunaal is in tijd beperkt tot 1994, terwijl het strafhof is bedoeld voor situaties die optreden na het in werking treden van het statuut. Daar spelen dus weinig problemen. Maar bij het Joegoslavië-tribunaal maken mensen zich zorgen. Dat begint heel aardig te functioneren, met behoorlijke financiën en het gezag van de Veiligheidsraad achter zich. De mogelijkheid van integratie in het strafhof is omgeven met vraagtekens. Want je weet wel wat je hebt, maar niet wat je krijgt.”

    • Marc Leijendekker