In Smalls is alcohol taboe, maar sinaasappelsap gratis; Een doe-het-zelf jazzclub in New York

Uit onvrede met de gevestigde jazzclubs in New York, waar een entreegeld van vijftig gulden normaal is, opende Mitch Borden zijn eigen zaak, Smalls. Alle consumpties zijn er gratis. “Je kunt niet van jazz genieten als je verplicht tien dollar betaalt voor een budweiser”, zegt Borden.

NEW YORK, 19 JUNI. Op de bar staan glazen karaffen met appelsap en jus d'orange. De koffie-machine stoomt links naast de ingang. De bezoekers kunnen zichzelf voorzien van een consumptie. De vaste bespelers op maandagavond, de twaalf leden van de Jason Lindner Big Band, vullen bijna de helft van de ruimte. De tenorist streelt ter voorbereiding van het optreden liefkozend zijn toeter. Een echte Selmer, “super-balanced”, zegt hij achteloos.

Onderaan de steile trap die leidt naar de Jazz-kelder zit de kassier, tevens programmeur, schoonmaker, manager maar bovenal ook eigenaar van eenmansbedrijf Smalls - New York's cutting edge Jazz Club - Mitch Borden (41 jaar). “Ik ben doodmoe”, is het eerste dat hij vertelt.

Borden heeft “veel spanningen”. Hij slaapt beroerd omdat hij sinds kort verwikkeld is in een rechtszaak. Een ontevreden klant eist schadevergoeding omdat ze haar enkel verzwikte op zijn trap. Het zijn van die dingen die je er eigenlijk niet bij kunt hebben als directeur van een jazzclub die van 's avonds tien tot 's ochtends acht uur open is. “Ik moet eigenlijk overdag slapen. Nu moest de bode op me op de rechtbank steeds wakker maken”, zegt Borden.

In de verpleging zat Borden totdat hij vier jaar geleden zijn leven een nieuwe wending gaf. Eigenlijk was het persoonlijke onvrede met het beleid van de gevestigde jazz-clubs in New York zoals de Village Vanguard, de Blue Note of de Knitting Factory die hem ertoe bracht een eigen jazztent te openen. In de oude clubs betaalt de bezoeker al snel zo'n 50 gulden entreegeld en is hij verplicht minimaal 25 gulden te consumeren.

“Maar je kunt niet van jazz genieten als je verplicht tien dollar betaalt voor een budweiser”, zegt Borden. In Smalls - slechts twee blokken verwijderd van de Village Vanguard - zijn de consumpties daarom gratis. De bezoeker betaalt alleen tien dollar entree en dat is in een stad als New York een schijntje. Tien uur muziek voor tien dollar in een doe-het-zelf jazzclub. Alcohol is er niet te krijgen. Niet alleen uit bedrijfseconomische overwegingen trouwens. “Zonder alcohol letten de mensen beter op de muziek. Ze zijn meer geconcentreerd”, zegt Borden. Hij is ook niet gesteld op dronkelappen. Roken - geen marihuana of sigaren - wordt daarentegen met grote toewijding beoefend. Bij het klimmen van de nacht zijn aan het ene uiterste van deze muziek-schoenendoos de muzikanten gedeeltelijk door een wolk aan het zicht ontnomen.

Borden draagt een opvallend geel-zwart gehaakt hoofddeksel. Hij is klein van postuur, het type dat er nooit in slaagt in een bar de aandacht van de ober te trekken, zoals hij eerder dit jaar tot zijn ongenoegen in de Herald Tribune werd omschreven. Zijn publiek oogt alternatief. Waar in de aloude jazzclubs het beeld wordt bepaald door Japanse en Europese liefhebbers die een soort nostalgische muziektour door Manhattan maken - en die vaak na twee uur weer moeten wijken voor de volgende lading bezoekers - zitten in Smalls voornamelijk studenten en muzikanten.

“Dat is Frank Hewitt”, zegt Borden die de meeste bezoekers voorstelt terwijl ze de trap afdalen. “Die heeft nog met Bud Powell gespeeld. Oh man, als hij dood gaat, is het echt gebeurd”. En daar is nog een coryfee. “Zij is een echte jazz-prinses”, vertelt hij over een dertigjarige vrouw die even komt uitblazen op de trap. Ze bevestigt het. “Ik heb bij Charles Mingus op schoot gezeten toen ik twee was”, klinkt het alsof 't zich gisteren heeft afgespeeld.

De Big Band speelt. De akoestiek is voortreffelijk. Als de altist zijn octaafklep induwt, dansen de glazen op tafel. De solo's zijn soms wat aan de lange kant al is het begrijpelijk dat je het er in zo'n grote groep van neemt als je eindelijk aan de beurt bent. Bij Yesterdays night moarning zingt Claudia uit Chili mee. Mijn rechterbuurman blijkt een verwoed drummer: zijn rechterhand bespeelt de linkerknie en vice versa. Aan de andere zijde opent een stel moeizaam een zelf meegebrachte fles wijn.

“Jazz verandert mensen”, zegt Borden. “Jazz-liefhebbers zijn een different breed op people. Ze observeren beter en luisteren goed. Ze willen iets leren”. Veel bezoekers torsen een instrument mee want aan het eind van de nacht mogen ze zelf spelen. Populaire jam-sessies waar Borden slechts een enkele keer bij moet ingrijpen. Als iemand maar blijft soleren of gewoonweg vals speelt.

Het is een zware verantwoordelijkheid. “Hoe kan ik nu zeggen dat iemand geen mooie muziek maakt? Jazzspelers zijn zulke gevoelige mensen, dat vergt veel tact. Maar bovendien hebben ook de matige muzikanten meer talent in hun pink dan ik in mijn hele lichaam”, zegt Borden, zelf vioolspeler.

Sommige bezoekers profiteren van zijn betoog om gratis binnen te glippen. Opvallend vaak wordt de smoes gebruikt dat de bezoeker zich er eerst van wil vergewissen of zijn of haar vriend reeds binnen is. Die zie je nooit meer terug. “Ach, zo verlies ik wel een paar dollar”, zegt Borden. Maar onbeleefd zijn tegen klanten is volgens hem veel erger.

Nu maken de mensen reclame omdat het goed toeven is in Smalls. “Aah, muziek is alles, werkelijk alles”, concludeert Borden. Zelf gaat hij nergens zonder de CD-player die in een zwart hoesje om zijn middel hangt. Arthur Grumiaux speelt voor Borden de complete sonates van Bach. Binnen speelt het huisorkest space. En achter de big band, voor het blauwe gordijn, blikt een jeugdige Louis Armstong vanaf een levensgrote foto onophoudelijk, tevreden lachend toe.