Hoe het is om klein te zijn

Uri Orlev: Het kleine grote meisje. Vertaald uit het Duits door Hans Kuyper. Illustraties van Jacky Gleich. Vanaf vier jaar. Uitg. Leopold, ƒ 27,50 Jan Jutte: Opstaan! Vanaf drie jaar. Uitg. Leopold, ƒ 27,50 Miriam Moss: De Gluurders. Vertaald uit het Engels door Herma Vogel. Illustraties van Delphine Durand. Vanaf vier jaar. Uitg. Ploegsma, ƒ 25,90

Een prentenboek met op de voorkant de commerciële aanprijzing: 'Kijk niet stiekem naar het verrassende einde voordat je er bent', vraagt om moeilijkheden. Wie zich niet kan beheersen stuit inderdaad meteen op de grootste attractie van De Gluurders van Miriam Moss: een tot een harmonica gevouwen kijkdoos. Het kijkgat heeft de vorm van een sleutelgat. Wie erdoor loert ziet verschillende kamertjes op een rij, een wc waar iemand in zijn neus peutert, een keuken waar een ander, gehuld in ondergoed, uit de ijskast snoept.

Zoals helaas vaker bij prentenboeken is De Gluurders niet veel meer dan een leuk idee, waar een mager verhaaltje omheen is geschreven. De tekeningen zijn geestig en vindingrijk, de woorden blijven daar ver bij achter. Er gebeurt in het dagelijks leven meer dan je denkt, is de boodschap. Door het sleutelgat of tussen de luxaflex door zien 'de Gluurders' wat voor de snelle beschouwer verborgen blijft. Een jongetje veegt moeders weke kus weg, onder een paar nieuwe schoenen prijkt de prijs nog. Op de illustraties van Delphine Durand is nog veel meer te zien: dat sommige vogels onder hun snavels een mond vol tanden verbergen, bijvoorbeeld. De uitgever, Ploegsma, heeft geprobeerd wat van het verhaaltje te maken door hier en daar een woord uit te vergroten: 'Ze BEGLUREN en BELOEREN iedereen en SNUFFELEN en NEUZEN in andermans geheimen.'

In het grote mooie prentenboek dat tekenaar Jan Jutte maakte, Opstaan!, is het ontbreken van een meeslepend verhaal veel minder een probleem. Een jongetje probeert zijn vriend de olifant te wekken en slaagt daar uiteindelijk in; en dat is het dan. Maar Juttes prenten hebben zoveel zeggingskracht dat meer ook niet nodig is. Bovendien is het boek voor echt kleine kindertjes bedoeld.

Jutte is beïnvloed door strips. Hij tekent duidelijke vormen, omlijnd door een dikke zwarte contour. Vaart, geluid en licht suggereert hij door een stervorm met scherpe punten rond zijn figuurtjes te tekenen. Tegenover de kracht van kleur en vorm staan de lieve, haast tedere gezichtsuitdrukkingen van zijn figuren. Olifant Olle is meer dan aaibaar als hij slaapt, zijn poten gevouwen rond zijn gekrulde slurf, zijn gestalte log en sierlijk tegelijk zoals bij een echte olifant. Jongetje Tip met zijn typische rode Jan Jutte-fez is naast Olle klein en uiterst bewegelijk. Hij brult in de slapende slurf, trekt aan het pluimstaartje, kietelt de dikhuid met een blaadje.

Traditioneler maar ook humoristisch zijn de illustraties van Jacky Gleich in Het kleine grote meisje van Uri Orlev. Orlev, die twee jaar geleden werd onderscheiden met de hoogste internationale kinderboekenprijs, de Hans Christiaan Andersenprijs, probeerde te beschrijven hoe het is om klein te zijn. Zo klein dat volwassenen boven je uit torenen, dat je niet bij de deurklink kunt en geen licht kunt maken omdat de schakelaar ver boven je hoofd aan de muur zit. Het is Orlev niet helemaal gelukt terug te keren tot dit soort sensaties. Dankzij de tekeningen worden de nadelen van hoofdpersoon Channelijnes' formaat toch invoelbaar voor wie al groot is.

Het piepkleine wichtje met haar woeste haardos (à la de Stampertjes van Fiep Westendorp) wordt over haar hoofd geaaid door een vals glimlachende tante vanaf een immens rijwiel. Ook haar ouders buigen zich wat al te geforceerd welwillend naar haar omlaag. Het omdraaien van de rollen, een reuze Channelijne die ineens voor twee ouders op dwergjesformaat moet zorgen, is wel vaker gedaan in kinderboeken. Maar nietsvermoedende vierjarigen biedt het een verrassend perspectief op hun positie in de wereld.

    • Judith Eiselin