God stuurde de dichters om geluk te brengen; Guillaume van der Graft over dichten en dominee zijn; Als ik meezing in de kerk springen nog altijd de tranen in mijn ogen

De elegische dichter Guillaume van der Graft heeft nogal eens in de clinch gelegen met de dominee Willem Barnard die zich moest aanpassen aan de Hervormde Kerk. “Ik ben één vent. Ik wil niet in compartimenten uiteen vallen.” De liedkunst, het zingen, verzoent de twee met elkaar.

Van der Graft: Mythologisch. Gedichten, oud, nieuw en herzien. Uitgeverij de Prom, 811 blz. Prijs 65 gulden.

“Poëzie is exacte wetenschap,” zegt de dichter Guillaume van der Graft. “Als ik schrijf, werkt mijn kritische geest op hoge toeren. Het begint altijd met een paar woorden, niet met een beeld of een thema. Woorden. Die raken gecharmeerd van elkaar, ze willen tot een dans komen, ze delen eenstemmig het ritme. Dan denk ik: God, het zal wel weer een gedicht worden, en dat betekent onrustige nachten, gestoorde slaap. Want elk woord telt, het mag nooit 'ongeveer' worden. Het is als met de fotootjes van criminelen die je voorgelegd krijgt. Je moet de dader herkennen, die ene er uit pikken. Het exacte woord. Een gedicht bestaat uit woorden in samenzang.”

En de emeritus-predikant Willem Barnard, geboren te Rotterdam in 1920, zegt: “Dominee, dat heb ik altijd zo'n raar woord gevonden. Een aanspreekvorm als zelfstandig naamwoord. Een belast woord ook. Waar denken ze aan bij 'dominee'? Iets dat het midden houdt tussen kwartjesvinder en betweter. In Vlaanderen heeft het die bijklank niet, daar denken ze: een gesubsidieerde ketter.”

De dichter Van der Graft en de (ex) dominee Barnard zijn een en dezelfde persoon. Als zoveel jongens schreef Willem Barnard gedichten. Hij ging van jongs af aan ook naar de kerk, meestal de Nieuwe Kerk aan de 's-Gravendijkwal in Rotterdam. Een kerk die nu is afgebroken. Hij ging erheen met zijn moeder, de vader was een melancholieke scepticus. Moeder kon niet buiten de kerk, vader kwam er niet binnen.

Dominee en dichter, dichter en dominee; de combinatie daarvan met een verbindingsteken, dichter-dominee, roept bij Van der Graft verzet op. “Als je een loodgieter nodig hebt en die blijkt ook te voetballen, als semi-prof, is dat dan een loodgieter-voetballer? Dan zal de voetballer wel niet veel waard zijn, anders was hij wel een hele prof, en aan dat loodgieten ontbreekt ook zo het een en ander.”

De dichter Van der Graft kreeg vorige week de driejaarlijkse, onder auspiciën van het Letterkundig Museum toegekende, Sjoerd Leiker-prijs uitgereikt voor zijn omvangrijke gedichtenverzameling Mythologisch. Gedichten, oud, nieuw, herzien. Hoewel de bundel de bekroning is van meer dan een halve eeuw dichterschap, betekent hij geen afscheid. Een stapel bloknootblaadjes dat op zijn werktafel ligt, telt inmiddels al weer tientallen nieuwe proeven.

In de hoek van de werkkamer prijkt een fraai, bijna zeventiende-eeuws stilleven. Een Latijns liturgieboek ligt opengeslagen op een lezenaar, het is de liturgie voor het begin van de paasviering. Een kandelaar staat ernaast. Op de vooravond van Pasen is de vrouw van Van der Graft, de Katinka uit zijn gedichten, overleden. Het was april 1995 en haar dood leidde tot de gedichten Onbereikbaar nabij. Al in Van der Grafts eerste bundel, In Exilio uit 1946, stonden liefdesgedichten voor haar. Geheel in romantische trant gaat het over haar 'windstille schouders'. Maar zij vond dat 'niet iedereen hoeft te weten dat het mijn windstille schouders zijn'. Het was een van de redenen voor het pseudoniem Van der Graft. Bovendien was er de naamsovereenkomst met een neef die eveneens literaire aspiraties had. En pas later, maar dat kon Van der Graft toen niet weten, betrad zijn zoon Benno Barnard, dichter en schrijver, het toneel.

“Ik schreef niet alleen gedichten”, vertelt Van der Graft in zijn huis in Utrecht, “ik wilde ze nog publiceren ook. Toen brak de oorlog uit. Mijn vaderstad werd in brand gestoken. De bezetting begon. Publicatie werd feitelijk en moreel moeilijker. De mogelijkheden voor literair verkeer waren beperkt. Alles werd benauwder. Ik verbleef vaak in de buurt van Utrecht, in het dorpje Vreeswijk aan de Lek. Die neef van mij, Willie Johan Barnard, bracht me in aanraking met de kring van dichters rondom het tijdschrift Parade der profeten. Daar stonden mijn eerste gedichten in. Ik was intussen, ook in Utrecht, theologie gaan studeren. Waarom? Met de brand van Rotterdam stortte mijn jeugdwereld in. Ik viel van mijn geloof af, ik zocht naar een zin. Filosofie ligt me niet, te dor en te eenduidig. Ik houd van verhalen, sagen, mythologische taal. In welk boek staan meer verhalen, sagen en liederen dan in de bijbel? Heel het Hebreeuwse Testament, die joodse klassieke literatuur, maar ook het Nieuwe Testament. Ik hoor die gelijkenissen van Jezus vaak als joodse 'Witze'. Ik sta verbaasd van de dubbele bodems, de verrassing telkens.

“Toen moesten we de loyaliteitsverklaring ondertekenen, wat we niet deden. Dat betekende: Arbeitseinsatz. Of onderduiken. Tot dat laatste zag ik geen kans, de Duitsers dreigden met maatregelen tegen mijn ouders. Ik kwam in Berlijn terecht, bij de Siemens fabrieken. Fysiek was ik niet tegen het werk bestand, hoezeer je ook probeerde lijn te trekken. Ik heb maandenlang in een lazaret gelegen. Mijn knieën zijn nog krakkemikkig. Via bureaucratisch gedoe kwam ik weer terug. Eenmaal in Nederland, de tijd van de Spoorwegstaking, de slag om Arnhem en razzia's, werd het toch weer onderduiken.

“Ja, ik was in militaire dienst geweest, maar van de les bajonetvechten werd ik kotsmisselijk en de stormbaan was ook niet aan mij besteed. Vraag je iemand van mijn generatie naar de oorlog, dan doet dat altijd au. Had ik in het verzet moeten gaan? Ik denk dat ik in de weg had gelopen, sociaal onhandig als ik was had ik het versjteerd. Ik schreef gedichten, eindeloos, ik wou de taal bewaken zeg ik achteraf, net zoals W.H. Auden. Tijdens dat schuilbestaan kwam ik op die schuilnaam. Wat is er Hollandser dan een gracht? De oorlog was ook de tijd van Hollands Glorie. Dus: Van der Gracht? Dat klonk te gutturaal. Dus werd het, met die klankverschuiving, Van der Graft.

Binnenkamers

Aanvankelijk, in de tijd vlak na de oorlog, wilde de dichter Van der Graft niets te maken hebben met de predikant Barnard. Hij weigerde een interessante dominee te zijn die ook nog eens aan de dichtkunst deed. “Dat viel niet vol te houden. Ik ben één vent. Ik wil niet in compartimenten uiteen vallen.”

Ook in ander opzicht moest Van der Graft zich verzetten tegen verdeeldheid. Nederland, toen zeker, kende zijn heilige huisjes, de calvinistische binnenkamer, het roomse interieur, het rode milieu. Zijn vader had hem geleerd voor al die binnenkamers eerbied te hebben. “Dat is misschien wel het mooiste dat mijn vader mij heeft gegeven,” meent Van der Graft. “Als kind kwam ik bij mensen over de vloer die van heel verschillende gezindte waren, rooms, rood, allerlei schakeringen protestant. Later heb ik begrepen dat dat uitzonderlijk was. Kinderen die opgroeiden in een pan-katholieke omgeving of in een protestants dorp, eventueel een rode wijk, kwamen nooit een andersdenkende in het wild tegen. Als dominee had ik uiteraard met die ellendige overzichtelijkheid van de hokjesgeest te maken. De waakhonden blijven op het erf, de vogels vliegen over de grenzen. Ik zag mijzelf liever als een vogel. Het ambt van dominee was trouwens, zoals het in die tijd ging, het logische gevolg van mijn theologische studie. Ik heb altijd erg tegen dat ambt opgekeken, er nooit op neergezien. Mijn beste tijd heb ik gehad in het piepkleine Rozendaal, dat voortuintje van Arnhem. Er stond één kerkje en daar kwam een bonte verzameling bijeen. Mensen van allerlei richting. Ik kende ze wel, de deftige dorpsgenoot die CHU stemde, de mensen die links uit de flank wilden, de student in zijn rooie trui en zijn CPN-neigingen. Maar op de deur van de kerk stond 'Ned. Herv. Gem'. Daar hebben we toen maar van gemaakt 'De kerk te Rozendaal'.

“In dat 'hoge huis' tegenover de bedriegertjes, die speelse fonteintjes in het park, heb ik in dat bonte bijbelboek gelezen, de nieuwe liederen gezongen en de liturgie gevierd. Tot 1973, toen ben ik over de kop gegaan. Ik stortte in. Ik had schaap met vijf poten gespeeld, of vogel met drie vlerken, en dat houd je niet vol. Ik was èn dichter èn pastor èn predikant.”

In dat jaar verscheen het Liedboek voor de kerken, waarvan er in de vijfentwintig jaar sinds verschijning bijna drie miljoen exemplaren zijn verkocht. Van der Graft is daarin prominent aanwezig. Er waren veel spanningen voordat het boek er was. Zijn liedteksten riepen verzet op bij leden van de Hervormde synode, bij allerhande commissies. Ze waren niet leerstellig genoeg, te vrij, te poëtisch, te weinig herkenbaar. Maar wie bepaalt wat wel of niet past in een boek? Van der Graft: “Het praten der dominees ontwricht mij.”

Gezamenlijk zingen

Terwijl ik met Van der Graft praat, lijken er soms ineens twee personen tegenover me te zitten, hoe dwingend hij die twee ook met elkaar wilde verenigen. De dominee is opstandig, nog altijd vol weerzin tegen de oer-Hollandse hokjesgeest. Zijn ogen kunnen fel oplichten. Zit de dichter op zijn stoel, met uitzicht op een rijkelijk verwilderde tuin met een enkele verregende pioenroos, dan overheerst een lyrische, elegische stemming het gesprek. “De liedkunst verenigt de mensen, zij heeft ook de dichter in mij met de dominee verenigd en omgekeerd,” zegt hij. “Discussies verdelen, zang brengt bijeen. Ik ben een gelovig mens, maar dat ben ik in de ecclesia, door de rituelen, als de mensen samen de liturgie vieren. Zonder zang bestaat er geen gemeente. Ik kan geen geloofsbelijdenis droog en dor opzeggen, wél de grote woorden zingen. Denk ervan wat je wilt, zo is het. Nog steeds ga ik naar de kerk en als ik dan meezing, soms is het een van mijn eigen liederen, dan springen vaak de tranen in mijn ogen. In het gedicht 'Tussen het zingende kerkvolk' staat het:

Soms, als ze hun longen te boven zingen het dak staat bol van geluid kijk ik mijn ogen uit:

alles verandert, de dingen/ staan stil te dansen (-) Ik verwonder mij tot ik versta: zonder die tranen in mijn ogen had zich de wereld niet bewogen gingen de dingen niet opgetogen al dat geloven achterna.

“Het belangrijkste is dat gezamenlijke zingen,” benadrukt Van der Graft. “Veel belangrijker dan alle vergaderingen en commissies is de zeggenschap en het lied. De vrijheid is er voor de mensen. Het is toch met poëzie begonnen? Ik stel het - primitief, maar ik denk primitief - als volgt voor: Onze Lieve Heer peinst op een achternamiddag in de eeuwigheid dat het niet goed gaat met de mensen. Hij wil zich openbaren. Dat baart opzien bij de stafmedewerkers. Maar goed, een aartsengel adviseert: 'Stuur een filosoof!' 'Welnee,' zegt de koppige Allerhoogste, 'moet de mens daarvan gelukkig worden?' 'Een vormingswerker dan,' roept een van de engelen. Dat helemaal niet, God krimpt ineen. Hij zegt: 'Een dichter! Laten we dichters het Woord geven.' De aartsengelen staan op hun achterste vleugels: 'Dat zijn kroegtijgers, klaplopers, bordeelsluipers! Daar komt ellende van!' Maar nee, God beslist. En wat vind je in de Heilige Schrift? Psalmen van David, gedichten van Jesaja, Jeremia, het Hooglied - allemaal pure poëzie, geschreven door dichters. Het drama van Job, de columns van Prediker, de aforismen van Asaf. Fabels, spreuken, sproken. De novelle van Jozef, die steeg tot de troon van Egypte en als hij zijn broers uitnodigt drinken ze tot ze dronken zijn, de wijn die het hart verheugt. Dronken worden in de bijbel: je hoort er zelden over preken.” Liederen en verhalen hebben voor Van der Graft zo'n rijke waarde omdat ze meerduidig zijn. Zo is ook de angst, zo is het ongeloof, nauw verbonden met dat woord 'geloof'. Dat zal de catechismus of geloofsbelijdenis maar moeilijk onder woorden krijgen, die is er te rechtlijnig voor. Dat lezen van de bijbel met de antennes van de poëzie maakt een predikant of priester moeilijk te plaatsen binnen een omheining.

Dilemma

Er kwamen mensen bij Van der Graft die om hulp vroegen. Hierdoor werd een grote druk op hem uitgeoefend. Hij wilde enerzijds pastor zijn, iemand die hulp verleent aan mensen in nood. Anderzijds sprak ook de dichter in hem. Het leidde tot een dilemma tussen de dichter als individu en de christen wiens plicht het is hulp te verlenen. Bovendien wrikte het tussen Van der Graft en de Hervormde Kerk, die een grotere leerstelligheid eiste. Het liefst wilde hij in de kerk voorzanger zijn. Met de gemeente de vrijheid van het lied beleven. Troost boden hem de bijbelse verhalen die aldoor boeien, zoals bijvoorbeeld de vertelling over de tuin, die zalige enclave voor goden, waarover de mythe spreekt. Geen mens mag er binnen, een draak is als koddebeier op wacht gezet. En dan draait de thora, in de traditie van Mozes, dat om: de mensen zijn de hoveniers, de slinkse slang heeft geen recht van spreken, de godheid wandelt met de man en de vrouw in hun onschuld. Van der Graft noemt dit 'een liefdesverhaal'.

Liefdesgedichten schreef Van der Graft al vanaf het allereerste begin. In het verlengde van die van vroeger ligt de indrukwekkende reeks 'Aarzelend vader worden' uit de bundel Voorgoed is veel te laat. Het was in 1950, Katinka was zwanger en het geboortethema kwam onmiskenbaar aan de orde. Maar de periode ging met een moeizame crisis gepaard. Het is de tijd van een 'overrompelende neiging tot een andere vrouw'. Van der Graft: “Door deze nieuwe liefde werd de vertrouwde samenspraak met Katinka bedreigd. Ik werd letterlijk uiteen gescheurd. Ik wilde niet-geboren zijn, wegschuilen in anonimiteit. Dat was de grote verleiding. Ik denk dat veel religie daarop neerkomt: in de moederschoot willen schuilen. Toen werd duidelijk dat ik ook mijn geboorte moest aanvaarden; geboren worden is onherroepelijk en doet ook pijn. Als je er eenmaal bent, ben je aanspreekbaar. In het gedicht staat:

God alleen weet hoe bang ik ben, God weet hoe erg verbroken samenhang schrijnt, wat het vergt

om uit het stille bin- nenste van de tijd geboren tot winst van de verlorenheid mens te zijn een huid leven omdat het moet omdat het vonnis luidt: bestaan, alleen, voorgoed.

De hemel is gescheurd ik leef ten einde raad. Geboren is gebeurd voorgoed is veel te laat.

“Geboorte is altijd moeizaam, eigenlijk kan het niet,” zegt Van de Graft terwijl de versregels nog naklinken in het stille huis. “Vandaar ook telkens in de bijbelverhalen die 'wonderbaarlijke geboorte'. Ik zag dat een geboorte, ook van ons kind toen, een nieuw leven inluidt, ook van de ouders. Geboren en gebeuren zijn niet alleen etymologisch verwant!

“Ach, als dichter neig ik naar een soort kosmische mystiek, als leerling van het Messiaanse geloof weet ik wel beter. Ik houd het op een religie die leeft van een taaltraditie. Dat is meer dan een denktucht, maar het is dát ook. Al zeg ik dat poëzie exacte wetenschap is, uiteindelijk valt er over de taal in haar volle kracht, over poëzie dus, weinig verhelderends te zeggen. Toch moet je het proberen.

“Dan denk ik aan die regel van Bloem, die ook zijn grafschrift werd: 'Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.' Waaraan ontleent die regel haar huiveringwekkende kracht? Laat je 'o' weg, dat onbenullige nulletje, dan heb je een gemeenplaats, een truism. Laat je 'en' weg, dat meest versmade voegwoord, dan krijg je een goedkope opera. Maar juist die twee, dat nulletje en dat alledaagse voegwoord, maken van die regel poëzie.”

    • Kester Freriks