Gesprek met Patrick McCabe over optimisme met doodsangst onder de oppervlakte; De menselijke geest is een vuilnisbak

De roman The Butcher Boy van de Ierse schrijver Patrick McCabe bestaat bij gratie van de monoloog van de ongeletterde hoofdpersoon. “Wie denkt dat je over sterfelijkheid alleen kan nadenken met hulp van een flinke woordenschat, is dom.” De roman is verfilmd, naar een scenario van McCabe zelf.

Patrick McCabe: Breakfast on Pluto. Uitg. Picador, 199 blz. Prijs £ 15.99 (geb.) The Butcher Boy is verschenen in Picador-pocket (£ 6.99). De film TheButcher Boy (regie: Neil Jordan) draait in The Movies in Amsterdam en in het Springhaver Theater in Utrecht.

De taal te lijf gaan met een honkbalknuppel. Dat is de missie van de Ierse schrijver Patrick McCabe (1955). “Kijk naar schrijvers als Joyce, Faulkner, Carson McCullers,” zegt hij, terwijl zijn handen een denkbeeldig slaghout omklemmen. “Als je maar hard genoeg slaat, komt de muziek vanzelf.”

McCabe weet waarover hij spreekt. Na een kinderboek en twee relatief conventionele romans publiceerde hij zes jaar geleden The Butcher Boy, een roman over een kwajongen in de vroege jaren zestig die langzaam maar zeker ontspoort en uiteindelijk een moord pleegt. Het nu verfilmde verhaal, dat geïnspireerd was op een oude Ierse murder ballad, was even gruwelijk als droevig, maar verblufte vooral door de taal waarin het verteld werd.

Net als in Huckleberry Finn en The Catcher in the Rye is de hoofdpersoon van The Butcher Boy een jongen van een jaar of twaalf die in zijn eigen dialect verslag doet van zijn avonturen. Maar wat voor dialect! Francie Brady, de eenzame zoon van een suïcidale moeder en een altijd dronken vader, praat in een gestileerd-platte variant van het Iers-Engels waarin zinnen over elkaar buitelen, woordherhalingen het tempo verhogen, en eigengemaakt idioom voor de kleur zorgt. Het is een muzikale, bezwerende stijl die de lezer ademloos achter laat en die een verontrustende sympathie oproept voor de ronduit psychopathische hoofdpersoon. Want wie is er niet geneigd om clementie te hebben met iemand die zo humoristisch en aanstekelijk vertelt?

“De stem van Francie is die van de verhalen vertellende Ier in de kroeg,” zegt Patrick McCabe, die de hoofdpersoon van The Butcher Boy omschrijft als een kruising tussen Dennis the Menace en Jack the Ripper. “Sinds Joyce zijn Ulysses ophing aan de gedachtenstroom van de doodgewone Leopold Bloom, zijn er genoeg boeken geschreven over Ieren van de straat; maar bijna altijd uit het perspectief van de keurige heer die de rouwdouwers vanachter het raam van de pastorie gadeslaat. Nooit hoorde je het verhaal eens uit de mond van de rouwdouwers zelf. En dat was nu juist wat ik wilde.”

Francie Brady's 'stream of consciousness' maakte The Butcher Boy praktisch onvertaalbaar (hoewel Maarten Polman in 1993 een dappere poging deed voor uitgeverij Atlas) en bijna net zo moeilijk om te verfilmen. Dat de gelijknamige film, die gisteren in Nederland in première ging, toch een verrassing is, ligt in de eerste plaats aan de Ierse regisseur Neil Jordan, de maker van onwaarschijnlijke successen als The Company of Wolves (Roodkapje in de Ierse bossen) en The Crying Game (over de relatie tussen een transseksueel en een IRA-terrorist). Jordan gaf The Butcher Boy een stuwende, zangerige voice-over (ingesproken door zijn vaste acteur Stephen Rea), en maakte van McCabes pikzwarte dorpsdrama een absurdistisch sprookje met zowel plaats voor de dreiging van de Cuba-crisis als voor de troost van een door Sinéad O'Connor gespeelde Mariaverschijning. Voor de hoofdrol vond en regisseerde hij een natuurtalent: de nu vijftienjarige Eamonn Owens, een roodharige dikkop die net als de Francie uit het boek binnen één scène kan veranderen van sympathiek in onuitstaanbaar en van aandoenlijk in bloeddorstig.

Dorpsdronkeman

In de verfilming van The Butcher Boy speelt Patrick McCabe een klein rolletje: hij is de dorpsdronkeman Jimmy the Skite, die in ruil voor een gratis borrel de vereenzaamde Francie van een laatste druppel vriendschap voorziet. De rol is McCabe kennelijk op het lijf geschreven: als ik de bebaarde en haast vierkante schrijver op een regenachtige dinsdagmiddag in de lobby van zijn hotel ontmoet, vecht hij overduidelijk tegen de gevolgen van een kater. Het klamme zweet staat in zijn handen, hij gedraagt zich aanvankelijk humeuriger dan professioneel verantwoord is, en hij kan geen half uur zonder koffie. “I must be drinking the most coffee in Western Europe,” zegt hij met een zangerige Ierse wending wanneer een ober de bestelling brengt.

McCabe is in Nederland ter promotie van de film The Butcher Boy en van zijn nieuwe tragikomische roman Breakfast on Pluto, waarin een welbespraakte transseksueel ten onder gaat in het Londen van glamrock en IRA-terrorisme. Het toeval wil dat net deze week in het Holland Festival een voorstelling wordt gespeeld - Rotjoch van Gerardjan Rijnders, onder regie van Guy Cassiers - die als twee druppels water lijkt op The Butcher Boy. Gevraagd waarom Rijnders en Cassiers geen gebruik hebben gemaakt van het toneelstuk dat McCabe in 1992 op basis van zijn eigen roman schreef (Frank Pig Says Hello), antwoordt de schrijver ontstemd dat hij van niets weet, dat de rechten voor The Butcher Boy bij Neil Jordan liggen, en dat dit soort piraterij illegaal is. Maar hij vergeet zijn woede wanneer hij vervolgens komt te spreken over zijn samenwerking met Neil Jordan, die begin jaren tachtig in Ierland furore maakte als schrijver, maar geen oude bekende van McCabe was (“Ierse schrijvers klitten heus niet allemaal bij elkaar in één café, en bovendien zat ik destijds in Londen”).

U bent medeverantwoordelijk voor het scenario van The Butcher Boy. Was het moeilijk om specifiek voor film te schrijven?

“Mijn zwakheden als scenarist werden snel duidelijk. Ik wist niets van de architectuur van een filmscript: hoe je een shootable story opbouwt, hoe je een verhaal hervertelt dat eigenlijk uit één monoloog bestaat, hoe je de zijlijnen wegsnoeit en de grote lijn aanzet. Na mijn tweede versie heeft Neil de zaken overgenomen. Hij voelde instinctief aan hoe het moest, en zo werd mijn rol die van een veredelde dialectadviseur.”

Viel het eindresultaat u mee?

“Vooraf maakte ik me ernstige zorgen. De buitenopnames vonden plaats in Clones, County Monaghan, waar ik zelf geboren en getogen ben, en ik was bang dat de bewoners geëxploiteerd zouden worden, dat het allemaal zou uitlopen op een onecht beeld van het Ierse provincieleven. Maar toen de film klaar was, bleek hij een wonder van integriteit - zeker als je de voetangels en klemmen in aanmerking neemt. Wie films maakt, is nu eenmaal overgeleverd aan de genade van geld, stemmingen en de elementen.

“Het enige waar je kritiek op zou kunnen hebben, is de lange happy-go-lucky-introductie van Francie in de film. In het boek is dreiging van Francie's gekte vanaf de eerste bladzij aanwezig, ook al blijft die heel lang onder de oppervlakte. De film is in het eerste half uur veel onbekommerder van toon, waarna de waanzin heel plotseling toeslaat. De ambiguïteit is opgeofferd aan het what's next van de filmindustrie - net als in het geval van Francie's 'visoenen'. In de film wordt gesuggereerd dat hij op de turfakker van het verbeteringsgesticht werkelijk communiceert met een Mariaverschijning; in het boek wordt in het midden gelaten of hij de heilige verschijningen ziet of dat hij ze verzint om bij de paters in het gevlij te komen. Het laatste versterkt het ongemakkelijke gevoel dat ik bij de lezer probeer te bewerkstelligen.”

Heeft het werk voor de film u als schrijver veranderd?

“Op een andere manier dan je zou denken. Ik ben enthousiast en vol verwachtingen aan het scenarioschrijven begonnen; maar nu zou ik er geen traan om laten als ik nooit meer bij een film betrokken zou zijn. Over een boek kun je drie jaar doen; een film moet af in een week of tien, en een tweede kans wordt je niet geboden. Als schrijver ben je keizer in je eigen woonkamer, als filmmaker mis je de puurheid van de roman. Words seem to me the purest thing going.”

Kubrick

De verfilming van The Butcher Boy lijkt sterk gemodelleerd naar A Clockwork Orange, Stanley Kubricks zwart-humoristische studie in 'ultra-geweld' uit 1971: beide films hebben een brutale, innemende schurk als verteller, laten zien dat heropvoeding een gedoemd streven is en gebruiken opzwepende muziek om het bijna surreële geweld te choreograferen. De overeenkomsten zijn niet toevallig, zegt McCabe: “A Clockwork Orange was in stijl en techniek zijn tijd ver vooruit en is de favoriete film van een lange lijst regisseurs van wie Neil Jordan niet de laatste zal zijn. Voor mij was A Clockwork Orange de eerste volwassen film die ik zag, en ik werd compleet ingepakt door de spottende, cheeky-chatty houding van de hoofdpersoon. Francie zou je een neefje van Alex kunnen noemen.

“Later las ik de roman van Anthony Burgess waarop de film gebaseerd was. Die was eigenlijk nog beter, want Kubrick had het tweede deel van het verhaal, vanaf het moment dat Alex in de gevangenis komt, nogal didactisch gemaakt. Burgess' A Clockwork Orange is ook filosofisch-wetenschappelijk, maar de boodschap wordt je niet in je gezicht gesmeten; het gaat om het stilistische vuurwerk, om de lol die de schrijver - en de lezer - heeft in de taal van Alex, een combinatie van slang, Shakespeareaans Engels en Russische leenwoorden. Net als zijn grote voorbeeld Joyce wist Burgess hoe taal en muziek elkaar kunnen raken.”

The Butcher Boy is bij verschijning in 1992 zeer geprezen en de roman werd genomineerd voor de Booker Prize. Tegelijkertijd waren er critici die zich ergerden aan de ongeloofwaardige welbespraaktheid van de dorpsjongen Francie, wiens voornaamste scholing bestaat uit televisieseries en films met John Wayne. Maar is het niet zo dat McCabe zijn ongeletterde verteller bewust tot een retorisch talent heeft gemaakt, als een vervreemdingseffect in een roman die toch al surrealistische trekjes heeft?

“Wat een vervreemdingseffect is, zou ik niet weten; maar de lezers die vallen over Francie's welbespraaktheid maken een denkfout. Vergeet niet dat je je in The Butcher Boy voornamelijk bevindt in de geest van de verteller. Al beschikt Francie in werkelijkheid niet over de taal om diepe gedachten te verwoorden, dat betekent niet dat hij ze niet heeft. Wie denkt dat je over sterfelijkheid en schoonheid alleen kan nadenken met behulp van een flinke woordenschat, is even dom als de schrijver die zijn hooggeschoolde personages alleen verheven dingen laat denken. De menselijke geest is een vuilnisbak: diepzinnigheden zijn gemengd met de meest absurde trivialiteiten.”

Stiefmoeder

Ook Patrick 'Pussy' Braden, de ik-figuur in McCabes nieuwe roman Breakfast on Pluto, is een goedgebekte verteller met een eigen stem. Of liever, met verschillende stemmen, want Pussy is een verknipte figuur die nu eens ironisch-geaffecteerd praat, dan weer gemaakt-stoer, en dan weer in een sappig Iers dialect. Hoewel hij een opgewekte indruk maakt, is zijn levensverhaal niet veel minder gruwelijk dan dat van Francie de slagersjongen. Als zoon van een priester die zijn piepjonge huishoudster verkrachtte, is Pussy opgegroeid in een armoedig kosthuis aan de grens met Noord-Ierland, onder de hoede van een zwaar drinkende stiefmoeder. Hij is homoseksueel, loopt in vrouwenkleren, en verlaat al op jonge leeftijd Ierland om in Londen anno 1972 de kost te verdienen als prostituee. Als hij betrokken raakt bij een terroristische aanslag van de IRA, wordt hij na hardhandige politieverhoren ter observatie opgenomen in een inrichting. Daar schrijft hij zijn verhaal op voor de psychiater.

McCabe: “Breakfast on Pluto is een boek over versplinterde identiteit en ambivalentie, twee begrippen die de Ieren maar al te bekend voorkomen. Zoals Ierland een verscheurd land is, gefrustreerd door de verhouding met Engeland en onzeker over zijn rol in Europa, zo is Pussy een in-between person: half man, half vrouw, ongelukkig in zijn dorp, ongelukkig in de grote stad, uitgekotst door de Ieren, uitgekotst door de Engelsen. Je zou Pussy een symbool voor Ierland anno 1972 kunnen noemen; maar je moet het allemaal niet te serieus nemen. Breakfast on Pluto heeft ook iets van een parodie. Alle clichés van de Grote Ierse Roman staan er in: de geile priester, de corrupte politiek, de Noord-Ierse kwestie, de vlucht naar Engeland, het straatjongetje dat volwassen wordt. En allemaal krijgen ze een absurde draai.

“The Butcher Boy begon met een liedje over een moord, Breakfast on Pluto komt voort uit twee popsongs. De ene, een hitje van Don Partridge uit 1969 werd de titel: het is een opgewekt deuntje, licht als een veertje, over kindergeluk en grootse verwachtingen: 'We'll visit the stars/ And journey to Mars/ Finding our breakfast on Pluto' - een logische favoriet voor Pussy en tegelijkertijd een mooi contrast met de wending die zijn leven neemt. De andere song die door het verhaal heenspeelt is 'Son Of A Preacher Man' van Dusty Springfield, niet alleen vanwege de titel, maar ook omdat ik in het proza streefde naar de toon waarop Springfield zingt: schalks-ironisch, quasi-verveeld, optimistisch met doodsangst onder de oppervlakte.”

'Breakfast on Pluto' wemelt ook van de verwijzingen naar andere liedjes, van de Supremes tot David Bowie. Bedreigt al die eigentijdse muziek niet het tijdloze karakter van een boek?

“Niemand zal Ulysses of Dubliners een gedateerd boek noemen omdat Joyce strooide met songtitels en liedteksten die alleen heel oude Ieren nog thuis kunnen brengen. Je moet liedjes alleen nooit zomaar gebruiken om een tijdsbeeld te geven; ze moeten iets toevoegen aan het ritme van de tekst, aan de kleur van het verhaal. Als terugkerend motief in mijn vierde roman The Dead School koos ik het liedje 'Chirpy Chirpy Cheep Cheep' - niet omdat het typisch voor de jaren zeventig was, maar omdat ik de pesterige manier van zingen toepasselijk vond. Uw vraag doet me denken aan de critici die Oscar Wilde verweten dat hij te veel cursieve woorden in zijn boeken zette. Het staat zo schreeuwerig, zeiden ze. Integendeel, vond Wilde: die cursiveringen vergrootten de schoonheid van het proza: het is de zetting van de diamant. Zo is het met goedgekozen liedjes ook. They make the prose shine.”

De muziek die het leven van Pussy beheerst, is de nichtenrock uit de vroege jaren zeventig. Deelt u Pussy's fascinatie voor uitzinnige podium-acts als Ziggy Stardust en T. Rex?

“Het idee om een boek te situeren tegen de achtergrond van de Londense glamrock, kreeg ik toen Gavin Friday [de Ierse theaterrocker - PS] me vroeg om een hoestekst te schrijven voor zijn neo-glamrockalbum Shag Tobacco. Maar de fascinatie was er allang. Men vergeet wel eens wat voor indruk de glamrock maakte op de jeugd in conservatief Ierland. Stel je voor dat je in een provinciestadje woont waar nooit wat gebeurt, en plotseling zie je Marc Bolan op tv, met knipperende kunstwimpers en schaamteloze bewegingen. Voor de gemiddelde vijftienjarige zou de wereld nooit meer dezelfde zijn.”

Zowel Pussy als Francie kampen met een ongelukkige jeugd op het verstikkende Ierse platteland. Geldt dat ook voor u?

“Het is niet alles autobiografie wat er blinkt. Ik vond het heerlijk om op te groeien in een klein stadje, waar je even veel contact hebt met de 75-jarige grijsaard twee straten verderop als met het buurjongetje van je eigen leeftijd. Die ervaring is net zo goed een writer's goldmine als een ongelukkige jeugd. Lees Faulkner en Carson McCullers, de twee schrijvers met wie ik me ten minste zo verwant voel als met mijn Ierse voorgangers. Zij bouwden hun oeuvre op de spanningen van het kleinsteedse leven, en haalden daarbij de taal compleet overhoop. Misschien was dat laatste ook een gevolg van hun afkomst. In een klein stadje is nu eenmaal niet veel te doen - en dus ga je de taal overhoop halen.”