Genummerd en begraven; De donkere kamer van Hildebrand

Hildebrand: Camera Obscura. Bezorgd door Willem van den Berg, Henk Eijssens, Joost Kloek, Peter van Zonneveld. Deel 1: de tekst. Deel 2: het commentaar. Athenaeum/Polak & Van Gennep, ƒ 75,-

Misschien ben ik wel de laatste nog levende Nederlander die de Camera Obscura is gaan lezen, zonder dat het moest, zonder te weten dat het boek in 1838 verscheen, en zonder iets over dominee Beets gehoord te hebben. Misschien dat ik daarom ook de laatste nog levende Nederlandse lezer van de Camera ben die durft te zeggen dat het een irritant kloteboek is.

Het moet in de heerlijke laatste maanden van de oorlog zijn geweest, dat ik het goedkope kartonnen uitgaafje in de vaderlijke boekenkast zag staan. Hildebrand! Die naam kende ik. A.D. Hildebrand, dat was de schrijver van Bolke de Beer, van Olke de Beer, en van De Zoon van Olke de Beer, drie boeken waar ik van genoten had. Waarom hadden ze me nooit verteld dat die Hildebrand ook een boek met een latijnse naam had geschreven? Natuurlijk omdat het ongeschikt was voor kinderen. Ik pakte het en ik las het en ik maakte mee wat ik nog nooit eerder had meegemaakt en nog heel wat keren zou gaan meemaken: ik las een slecht boek en ik wist dat het een slecht boek was.

Later moest ik het op school lezen. Van de miljoen exemplaren - honderd drukken in honderdvijftig jaar - die er van de Camera Obscura verkocht zijn, is meer dan de helft gekocht door scholieren die, om een goed cijfer te krijgen, ook nog moesten verzwijgen dat ze er niets aan vonden en moesten beweren dat ze het een geestig boek vonden. Want het is vanaf de eerste bladzij pijnlijk duidelijk dat de Camera een geestig boek meent te zijn. Toen ik zelf kinderen naar de Middelbare School afvaardigde, was ik al bang weer met de Onaangename Neef in de Warme Haarlemmerhout en het Nurkse Diakenhuismannetje geconfronteerd te worden, maar dat viel mee. Zij kennen het boek niet en ik heb mijn exemplaar achter andere boeken verstopt.

Nu is van het boek een wetenschappelijke editie gemaakt. Dat betekent dat er om de vijf regels een getal in de marge staat dat de tafel van vijf weergeeft. Bij het boek van vierhonderd pagina's is nu nog een tweede deel van ook vierhonderd pagina's gevoegd, dat alles, maar dan ook alles, over het eerste boek uitlegt. Hoera! Door deze wetenschappelijke arbeid is het ellendige boek definitief opgeborgen bij de klassieke boeken die niemand ooit uit eigen wil zal gaan lezen, en daar hoort het al sinds 1838, zoals Jacob Geel in dat jaar al duidelijk inzag en zei.

De Camera is een verzameling van wat wij tegenwoordig 'columns' zouden noemen. Schetsen in schertsende stijl. Boutades, waar toch wat van gemeend is. Beschrijvingen van dingen die niemand beschreven wil hebben. De column is een snel verleppende prozavorm. De populariteit van een columnist is als die van een voetballer. Hij doet er goed aan om in een krant te schrijven, want bij boekbundeling is hij al vergeeld. Ik ben zelf columnist, dus ik kan het weten. Ik heb nog meegemaakt dat Elias, Bomans, Carmiggelt geliefde columnisten waren. Hun columns zijn niet meer te lezen. Alleen uit historische belangstelling zou men zich nog kunnen interesseren voor wat Hildebrand, die Nicolaas Beets heette, dacht over het beestenspel, over het humorisme, over de oprukkende wetenschap, over de trein. Het is aardig om te zien dat hij het in al die gevallen bij het verkeerde eind had.

IJdeltuit

Behalve de verzameling columns staan er in de Camera ook nog twee novellen: de familie Stastok en de familie Kegge. In beide verhalen gaat Hildebrand ergens logeren en we lezen over de ongelooflijk saaie dingen die hij meemaakt. Er zit een heel smal intrigetje in de twee verhalen en dat intrigetje is in de twee verhalen hetzelfde. Hildebrand ontdekt een klein misstandje. Een arme oude man dreigt van een paar rijksdaalders beroofd te worden, een ijdeltuit doet zich beter voor dan hij is en dreigt een onschuldig meisje het hoofd op hol te brengen. Hildebrand gaat aan die misstanden iets doen. Wat doet hij? Hij gaat naar een notabel heer en vraagt hem er wat aan te doen. Die notabele doet er wat aan en daarmee is het verhaal klaar.

In een zeldzaam ogenblik van zelfinzicht geeft de schrijver aan het betreffende hoofdstuk in het tweede verhaal de titel 'Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij wel weet dat het hem in 't geheel niet past, maar dat hij voor ditmaal niet helpen kan'. Voor ditmaal? Die titel had Hildebrand aan zijn hele zelfingenomen boek moeten geven!

Het is in datzelfde verhaal over de familie Kegge dat de schrijver zijn eigen politieke opvatting ten beste geeft. De standen zijn in Nederland heilig en men moet niet proberen om eruit te ontsnappen. Zelfs al ben je heel rijk geworden, zoals de heer Kegge dat in de West werd (om de een of andere reden was dat veel minder deftig dan in de Oost rijk te worden), dan moet je toch je houden bij de stand waarin je geboren werd. Alleen Hildebrand, Leids student, kan zich veroorloven bij geen enkele stand te horen, en dus boven alle standen te staan, al erkent hij graag de superioriteit van de adel.

Wat is het jammer dat Beets in 1903 is overleden. Anders had hij de opkomst van het socialisme moeten meemaken, waarvan hij een gruwelijke beschrijving geeft: 'Wat weet ik waar 't op uit zal komen? Eerstdaags een socialistische revolutie, een op en top socialistische orde van zaken, met een hartroerende oude vrijster op de troon, met een kring van sentimentele dagloners tot ministerie. Daar zullen in de vergaderzaal de eenvoudige, de onschuldige kindertjes zitten, het leger zal bestaan uit duivenhartige bloodaards onder de hoogdravende naam van medelijdende zielen, het rechterambt zal bekleed worden door mensen die tegen alle straf zijn. Geen adel meer, geen rijkdom, geen livreibedienden, geen paté de foie gras meer, geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames, maar een aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloffen, pijpjes, tuinstokken, kinderboekjes... Wat ik u bidden mag, Hildebrand, ga niet onder de socialisten!'

Dit zou u nog als een knappe voorspelling uit 1839 kunnen zien, maar helaas: ik heb in het citaat overal het woord socialistisch gezet waar Beets humoristisch had geschreven. Zijn hele boutade is zogenaamd gericht tegen het humorisme, waarvan hij zelf zo'n ongelooflijk zielig boegbeeld is. Alles zo omslachtig mogelijk zeggen, dat vonden ze in 1839 humoristisch. Hij noemt de tijger monsieur en de leeuwin madame, hij vertelt aardigheden op hun rekening, zij zijn de dupes zijner van buiten geleerde geestigheid. De vorige zin is van Hildebrand. Hij valt er niet de humoristen mee aan, maar de uitleggers in het circus. 'Ellendige potsenmaker, straffeloos lasteraar, met een paar knevels en een stok koopt hij om en speelt de held onder de gevangenen', dat zegt Hildebrand over de circusdirecteur, en dat zeg ik over de humorist Hildebrand.

Surftochten

Ik ben de geleerde editeuren heel erkentelijk voor hun arbeid, waar ik slechts twee bezwaartjes tegen heb. Ten eerste zeggen ze dat ze bij de woorduitleg het Woordenboek der Nederlandsche Taal gebruikt hebben. Maar dat woordenboek heeft op tienduizend plaatsen juist de Camera gebruikt om zijn woorden te verklaren! De seksistische (want het bestaan van vrouwelijke kinderen blijft geheim) en racistische (want een jongen moet blond zijn en geen krulhaar hebben) tirade over de Echte Hollandsche jongen heb ik bij mijn surftochten door het woordenboek wel driehonderd keren moeten ontmoeten. Van een enkele pagina worden zestig woorden in het Woordenboek aangehaald, elk citaat met vijftien woorden, dat is dus al twee keer zoveel tekst als er in de Camera zelf stond. Het is waar dat een zoon van de oude Beets redacteur van het WNT was. Datzelfde WNT gebruiken ter woordverklaring geeft een incestueuze geur.

Dezelfde cirkelredenering vinden wij bij de verzuchting dat de Camera zo 'typisch Nederlands' is. Ja, als je het boek een eeuw lang verplicht door de middelbare scholieren laat lezen, dan dreigt inderdaad het gevaar dat het beeld van Hildebrands camera blijvend wordt.

Minder cirkelvormig, maar toch problematisch, is het compliment dat Beets zo eenvoudig Nederlands schreef, dat hij het zondagse pak van de toen geldende literaire stijl had uitgetrokken. Dat compliment was in 1839 misschien terecht. Maar in 1860 kwam Multatuli die dat zondagse pak voorgoed in de fik stak. Voor de lezer uit 1998 is de stijl van Beets doodvermoeiend, zwaar en het tegendeel van geestig. Dat je er nu nog een tweede boek van vierhonderd bladzijden bovenop moet leggen, maakt het plezier natuurlijk niet groter.

Beets staat aan de wieg van wat we rustig de Haarlemse Humor mogen noemen, en waarvan Anton Pieck en Bomans met kleurpotlood en ganzenveer de bekendste representanten zijn. Zelfs Van Deyssel en Mulisch hebben van die Haarlemse Humor een klap gekregen en tonen die in hun slechtste bladzijden. Als Haarlem op tijd onder water was gelopen, zou de Nederlandse literatuur er beter bij staan.

Misschien wilt u nog weten hoe Jacob Geel in 1838 Hildebrand kon bestrijden, terwijl de Camera van 1839 is? Dat kon omdat de column over de Vooruitgang door Hildebrand al in 1837 gepubliceerd werd. De 23-jarige student verkondigde daarin dat de uitvinding van de microscoop heel verkeerd was, omdat het heerlijke water waarin hij zijn handen wast nu vol beestjes blijkt te zitten. Hij beroept zich daarbij op Goethe die inderdaad dezelfde domme opvatting was toegedaan. Goethe was tegen de bril omdat het voor de mens niet goed is dat hij beter kan zien dan zijn ogen hem toestaan. Goethe zei ook dat Newton zich in zijn optica vergiste omdat hij niet begreep dat je een spectrum met een smalle lichtstraal moet maken. Hildebrand is tegen elke technische vooruitgang, en wenst alle lijders aan bacillenziektes dood, opdat hij zonder afgruwen zijn water kan drinken. Geel ging daar tegen in.

Een eeuw geleden vroeg De Nederlandse Spectator (het blad van Geel!) zijn lezers naar hun geliefdste Nederlandse boek. Tweehonderdenzes intellectuelen van Nederland zeiden de Camera Obscura. Tweede was Max Havelaar met 134 kiezers. Ja, Anton Pieck is ook populairder dan Van Gogh.

Behalve de woorduitleggingen krijgen we in het commentaardeel ook een korte biografie van Beets en een beschouwing over het probleem-Beets. Wat de biografie betreft: ik haalde in Nederland een exemplaar van Chantepie de la Saussayes Nicolaas Beets (1904) uit een bibliotheek. Vanaf pagina 169 bleken de bladzijden in de 94 jaren na verschijning niet opengesneden te zijn. In de bibliotheek van Nederlandse Studiën te Parijs vond ik het exemplaar dat A.W. Huiskamp op 13 februari 1906 had aangeschaft en dat ook bij die pagina nooit meer door wie ook verdergelezen werd. Ik denk dat het in 2006 niet anders zal zijn. Tot zover de biografie van Beets.

Het probleem-Beets is: 'Hoe is mogelijk dat iemand op zijn zesentwintigste jaar een geniaal boek schrijft en daarna zestig jaar lang zich niet zonder protest een leven van gekroonde onbenulligheid kan laten welgevallen?' Mijn oplossing van dit probleem is duidelijk: dat boek is helemaal niet geniaal, maar net zo oubollig, pedant, querulanterig, reukloos en saai als het verdere leven van Nicolaas Beets.

    • H. Brandt Corstius