Een uitdijend vacuüm

Jantine Wijnja: Pancake. De Harmonie, 85 blz. ƒ 19,90

Debuterende scholieren zijn in de Nederlandse letteren geen nieuw verschijnsel meer. In vijf jaar tijds is Jantine Wijnja al de derde zeventienjarige die verrast met een roman. In de thema's die ze kiezen verschillen de jonge schrijfsters niet veel van elkaar: hun ervaringen liggen dicht bij (het ouderlijk) huis, waaraan ze met alle macht trachten te ontsnappen. In hun boeken proberen ze andere milieus uit dan waarin ze zijn opgegroeid, doen ze voorzichtig aan zelfreflectie en proberen ze woorden en beelden te vinden om hun eenzaamheid, waarvan ze vermoeden dat die existentieel is, uit te drukken. Vooral in dat laatste slaagt Janitine Wijnja goed, ondanks de evidente gebreken die haar debuut aankleven.

Ze is geen echte beginneling. Twee jaar geleden won ze de Kunstbende - een kunstwedstrijd voor jongeren - in de categorie taal met een verhaal over 'Daas', het jongetje in haar hoofd en kort daarop kreeg ze een wekelijkse column in Zanzibar, de jongerenpagina van Trouw. Tegenwoordig schrijft ze maandelijks voor 0/25, een blad over jongeren. Desondanks laat haar taalbeheersing nog te wensen over. Ze heeft een voorkeur voor lange zinnen zonder leestekens die makkelijk ontsporen en vaak eindigen in machteloos gestamel. Ik vermoed dat ze dit met opzet doet, in een poging tot een monologue interieur, die het chaotische denken van een in crisis verkerende scholier moet verbeelden. Ook schrijft ze zinnetjes als: 'Ze legde haar sok en haar schoen om haar voet', in plaats van mee te delen dat haar hoofdpersoon haar sokken en schoenen aantrekt.

Pancake is het verhaal van de zestienjarige Julianne wier zusje, Zaila, als gevolg van een aangeboren afwijking aan haar stembanden niet kan praten. Ze uit zich in gebarentaal en in muziek. Julianne kan aan Zaila haar verhalen kwijt, maar het isolement van haar zusje kan ze daarmee niet opheffen. Als Zaila na conflicten met haar ouders in een grote stad op een kamer gaat wonen, raakt ze in een depressie die eindigt met zelfmoord. Haar dood wordt in weinig woorden beschreven door Julianne van wie Zaila zwijgend als altijd afscheid is komen nemen. 'Ze haalden de handen over elkaars gezichten. De ogen zeiden één zin voordat Zaila zich omkeerde en vertrok. Je mag mijn strijkstok hebben, en mijn viool. Twintig minuten later had Zaila zich verdronken.'

Hiermee eindigt het eerste en meest overtuigende deel van Pancake. Wat volgt is 'Het nooit vertelde verhaal van Zaila', vooraf gegaan door een inleidinkje waarin Julianne zich voorstelt als 'het meisje met de pen', dat zichzelf belooft een boek te schrijven over haar zus. Waarom haar dit niet goed lukt, blijkt uit het laatste hoofdstuk, waarin de hoofdpersoon bekent dat ze nooit een zusje heeft gehad. Als zielige puber heeft ze een zwijgend alter ego bedacht om verzonnen verhalen over een niet bestaande minnaar en een niet bestaand avontuurlijk leven aan kwijt te kunnen. Wanneer Julianne deze bekentenis doet, ligt ze al maanden in bed, alleen, zonder mensen om tegen te praten. 'Haar hoofd heeft haar mee uit liften genomen en toen zijn ze de weg kwijt geraakt.' Het is griezelig om te zien hoezeer Julianne in die toestand samenvalt met het verzonnen zusje. Zwijgend, eenzaam, gekweld door dwanggedachten dreigt Julianne in dezelfde donkere draaikolk terecht te komen die ook Zaila heeft meegesleurd.

Door hier te verklappen dat Zaila slechts een afsplisting is van Julianne en geen zus van vlees en bloed, geef ik Wijna's plot niet prijs. Al op de eerste bladzijde van de roman zegt Julianne met zoveel woorden dat alles wat er in dit boek gebeurt aan haar fantasie ontsproten is, ook de minnaar met wie ze zojuist gebroken heeft. 'In een stukje vacuüm van haar hoofd zat iemand met een pen. Die dacht, een meisje van zestien dat breekt met een man van tweeendertig omdat ze hem heeft zien huilen, dat is nog eens een begin voor een boek.'

De vergissing van de jonge schrijfster is dat het stukje vacuüm in het hoofd van haar hoofdpersoon zo uitdijt, dat er geen werkelijkheid, geen authentieke ervaring meer overblijft om te beschrijven. Daardoor slaagt ze er bijvoorbeeld niet in om het verdriet om Zaila's dood en alle verwarrende emoties waaruit rouw bestaat navoelbaar te beschrijven. Waarschijnlijk was het beter geweest als ze dat niet eens had geprobeerd, want wat ze er nu van maakt klinkt hol en niet doorleefd.

Het sterkst is Pancake als Julianne rouwt om zichzelf, als ze uiting geeft aan het verdriet dat hoort bij volwassen worden omdat essentiële, lang gekoesterde eigenschappen verloren lijken te gaan. In zulke passages slaagt Wijnja erin zichelf te vergeten. Ze is dan niet langer hinderlijk gecharmeerd van haar 'meisje met de pen' en wordt bij vlagen een schrijfster. Op die momenten doet ze in de verte denken aan Josepha Mendels die met haar debuut Rolien en Ralien (1947) de mooiste roman over een adolescente uit de Nederlandse literatuur op haar naam zette.