Een dam tegen zedelijk verval

Orthodoxe protestanten voelen zich steeds minder thuis in het sterk geseculariseerde Nederland. Samen willen ze sterker staan. RPF en GPV werken aan een nieuwe politieke formatie. Wat moet het worden: fusie of federatie?

DEN HAAG, 19 JUNI. Winkelen op zondag, homoseksuele leerkrachten op streng-gereformeerde scholen en vrouwen daar in het bestuur, kledingreclames die spotten met de beeltenis van Jezus Christus, homohuwelijken, euthanasie mogelijk uit het strafrecht. Orthodoxe protestanten, die zichzelf sinds de verdrijving uit het paradijs toch al als een 'vreemdeling' op aarde beschouwen, voelen zich steeds minder thuis in het sterk geseculariseerde Nederland.

De 'ontkerstening' van Nederland de laatste dertig jaar is nu de belangrijkste drijfveer van de bijbelgetrouwe christenen om gezamenlijk een dam op te werpen tegen het zedelijk verval in Nederland. De jongste Tweede-Kamerverkiezingen, waarbij het CDA verder verloor en de kleine christelijke partijen marginaal vooruitgingen, heeft het gevoel van urgentie in de bible belt verhoogd.

Zo'n twintig jaar nadat katholieken en protestanten samengingen in het CDA, willen nu ook de orthodoxe protestanten zich verenigen in wat zij zelf noemen een “nieuwe politieke formatie”. Een samensmelting van de kleine christelijke partijen RPF (drie Kamerzetels) en GPV (twee zetels) moet getalsmatig een alternatief worden voor de christen-democraten.

De bestuursvoorzitters van de RPF en het GPV presenteerden gisteren een rapport van een commissie, die is samengesteld uit prominenten van beide partijen. De commissie heeft onderzocht in hoeverre politieke samenwerking mogelijk is tussen de twee partijen.De commissie, waarin met name van RPF-zijde vele kerkelijke stromingen waren vertegenwoordigd, heeft de verschillen tussen het wat steilere GPV en de meer blijmoedige RPF onder de microscoop gelegd.

De commissie concludeert echter dat de verschillen moeten worden gezien door een omgekeerde toneelkijker: ze zijn er wel “maar zijn niet te herleiden tot grondslagverschillen”. De commissie stelt dan ook voor zo snel mogelijk een nieuwe politieke partij te vormen. Daarop vooruitlopend moeten de partijen de volgende Kamerverkiezingen ingaan met één kandidatenlijst en één verkiezingsprogramma.

De partijbesturen hebben het laatste voorstel overgenomen, maar aarzelen zeer over de manier waarop de partijen in elkaar moeten worden geschoven. De Reformatorische Politieke Federatie (RPF) is al jaren sterk voor een volledige “fusie”, maar het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) wil ook kijken naar bijvoorbeeld een federatie waarin de partijen een vorm van zelfstandigheid behouden. In het najaar leggen de besturen definitief de mogelijke samenwerkingsvormen voor aan de leden, die daarover uiterlijk begin 2000 over beslissen.

Wie in elk geval geen fusie wil is Schutte, als fractievoorzitter al jaren het gezicht van het GPV. Dat is in zoverre opmerkelijk, omdat de tweede man in de Kamerfractie, Van Middelkoop, lid is van de commissie die zelfs aandringt op een “snelle integratie” van de twee partijen. Schutte heeft zich zo tot de spreekbuis gemaakt van de GPV-leden die sterke aarzelingen hebben over een samengaan met de RPF. “Een fusie betekent een opheffing van de partij en daarvoor heb je driekwart van de stemmen nodig; dat gebeurt niet”, verwacht Schutte, die niet wil speculeren over een 'lijst-Schutte' als de fusie er wel mocht komen.

De verschillen tussen RPF en GPV houden nauw verband met het bestaansrecht van beide partijen. Het GPV is in 1948 opgericht als partij van een enkele jaren eerder afgescheiden kerkgenootschap, de gereformeerde kerk vrijgemaakt, en bleef lang een zeer besloten partij. Toen in de jaren zeventig bezorgde protestanten zich afscheiden van wat het CDA zou worden konden deze niet terecht bij het GPV en richten uit arren moede een eigen partij op: de RPF.

Waar het GPV een tamelijk exclusief gezelschap is, is de RPF een samenraapsel van traditionele protestanten en evangelischen. De commissie ziet dan ook nogal wat cultuurverschillen.

Problematischer zijn echter de belijdenisgeschriften (zie kader), die bij het GPV zonder meer de grondslag vormen. De evangelischen achten zich daaraan echter niet gebonden en de RPF toetst de leden daar dan ook niet op. De commissie heeft deze RPF-lijn overgenomen, en dat is het breekpunt voor Schutte die wel leden wil kunnen houden aan de zogeheten 'formulieren van enigheid'.

RPF-Kamerlid Rouvoet, tevens lid van de commissie, ziet wel een mogelijkheid om het ogenschijnlik onverenigbare te verenigen: “Het woord 'fusie' staat nergens in ons rapport. In een federatie houden de verschillende kieskringen uiteindelijk hun eigen verantwoordelijkheid. Tenslotte is de RPF een federatie en een nieuwe partij kan dat ook zijn.”

'Formulieren van enigheid'

De belijdenisgeschriften van de hervormde en gereformeerde kerken in Nederland, de zogeheten 'Drie formulieren van enigheid', omvatten de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse catechismus en de Vijf leerregels van de Dordtse Synode uit 1619.

Voor het GPV, dat nauw is verbonden met de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, vormen de belijdenisgeschriften de grondslag van de partij zoals verwoord in de statuten: “De Heilige Schrift, waarvan de Drie Formulieren van Enigheid van de Gereformeerde Kerken in Nederland [...] de hoofdsom leren, is de enige grondslag en regel; van het verbond, ook voor het staatkundig leven.”

De RPF heeft zijn grondslag ruimer geformuleerd: “De RPF aanvaardt als enige norm voor politiek denken en handelen het onfeilbare en gezaghebbende woord van God zoals ten aanzien daarvan ook beleden wordt in de Drie Formulieren van enigheid.”

De commissie heeft nu als 'proeve' van een grondslag voor een nieuwe partij voorgesteld: “De partij belijdt Gods soevereiniteit over het staatkundig leven, de overheid als dieners Gods en de roeping van de christen in de samenleving. Zij fundeert haar politieke overtuiging op de Bijbel, het geïnspireerde en betrouwbare Woord van God, die door de Drie Formulieren van Eenheid wordt nagesproken.”

    • Karel Berkhout