De onzichtbare neerlandicus; Nieuwslezers met spraakgebreken

E. Viskil: Wat unbidan we nu? Naar een raad voor de neerlandistiek. Sdu Uitgevers, 127 blz. ƒ 34,90 Jan W. de Vries (red.): 'Eene bedenkelijke nieuwigheid'. Twee eeuwen neerlandistiek. Verloren, 128 blz. ƒ 29,- M.C. van den Toorn: De eenheid van de neerlandistiek. Vantilt, 16 blz. ƒ 14,90 Noordzee, taal & letteren, nr. 1-2, maart-april 1998. Sdu Uitgevers, ƒ 5,-

In een recent artikel in de Volkskrant vroeg Kees Fens zich in een tussenzin af, naar Bloem: 'en dan: wat is een neerlandicus nog in dit land?' Het is een typerende vraag. Wie er oog voor heeft, constateert al geruime tijd dat de maatschappelijke zichtbaarheid van het vak en de eenheid erbinnen te gering zijn. Daardoor is er onvoldoende notie van de precieze competentie van de neerlandicus. Voeg daarbij een geringe vaktrots en een slechte relatie met beroepssectoren, en de belangrijkste problemen van de neerlandistiek zijn genoemd. Is het dan verwonderlijk dat de stem van de neerlandicus ook in het publieke debat nagenoeg ontbreekt, zelfs in kwesties waar je haar zou verwachten?

Maar er is beweging aan het front. Twee eeuwen neerlandistiek zijn aanleiding voor congressen en de verschijning van boeken waarin wordt terug- en vooruitgeblikt. Er is ook een raad voor de neerlandistiek opgericht en er is een proefnummer verschenen van een nieuw tijdschrift, Noordzee, taal & letteren, met aandacht voor actuele zaken op het gebied van de Nederlandse taal en literatuur. De uitgave daarvan is inmiddels alweer gestaakt.

In de feestbundel Eene bedenkelijke nieuwigheid wordt teruggekeken op de ontwikkeling van het vak vanuit de verschillende deeldisciplines: taalkunde, taalbeheersing en letterkunde. Aparte aandacht is er voor Nederlands als schoolvak. In Wat unbidan we nu? ('waarop wachten wij nog?' - deel van de oudste Nederlandse dichtregels, circa 1100) worden vooral meningen en verwachtingen betreffende de neerlandistiek geïnventariseerd. Het rapport biedt het inhoudelijk fundament voor iets wat al eerder werd bepleit en inmiddels is verwezenlijkt: de oprichting van een raad voor de neerlandistiek. Deze dient niet alleen de eenheid en de samenwerking binnen de universitaire neerlandistiek te bevorderen, maar ook verbetering te brengen in de kwaliteit van onderwijs en onderzoek in de Nederlandse taal- en letterkunde en in de relatie tussen de neerlandistiek en de maatschappij. Want aan die dingen schort het, zo wordt uit het rapport wel duidelijk.

De gesignaleerde problemen zijn niet volledig aan de neerlandicus zelf toe te schrijven. Hij heeft te maken met een cultuur waarin opkomen voor de immateriële eigen belangen ongewoon is. Zich sterk maken voor de eigen taal en cultuur zit niet in de Nederlander, zo is gebleken, ook al manifesteert zich de behoefte daartoe in het één wordende Europa nu wel steeds sterker. En dat is nodig ook. Het Nederlands behoudt zijn huidige positie niet vanzelf, in tegenstelling tot wat veelal gedacht wordt. 'Als Nederland dit niet doet, wie zal het dan doen?', luidt de retorische vraag die Viskil in zijn rapport citeert. Wat in andere landen vanzelfsprekend is, is dat hier niet. Nederland besteedt per hoofd van de bevolking de helft tot driekwart minder aan onderwijs en studie van de eigen taal en letterkunde dan bijvoorbeeld Denemarken en Duitsland. Pijnlijke cijfers, die voor zichzelf spreken. In Noordzee vergelijkt Anthony Mertens, oud-universitair docent en thans redacteur bij Querido, het volstrekt demotiverende beleid van de Nederlandse overheid met dat van Frankrijk en Engeland. 'Ik vond het ook heel alarmerend om (...) te lezen dat het ministerie, zoals gewoonlijk, geen enkele cent over heeft voor de raad voor de neerlandistiek.' Hoe kenmerkend en laakbaar deze houding ook is, hier wreekt zich toch ook de jarenlange relatieve onzichtbaarheid van de neerlandistiek en de matige beeldvorming. Het is duidelijk dat de raad zich in het verbeteren van de contacten met de maatschappij vooral zal moeten richten op de beslissers: de politiek. Daarnaast zijn goede contacten met het onderwijs van levensbelang. Het onderwijs vormt. Daar ligt de basis van alles. Nu voelt die basis zich door de universitaire neerlandistiek slecht gevoed, en zegt een beter contact op prijs te stellen.

Mammoetwet

Het is logisch dat de gesignaleerde problemen een klimaat hebben helpen ontstaan waarin de communis opinio over het vak aardig getroffen wordt door uitspraken als: 'Iedereen beheerst het Nederlands toch' en 'Als je maar begrijpt wat ik bedoel.' Daaraan heeft de periode van het 'communicatief-utilitair paradigma' zeker bijgedragen. Zo noemt Hans Hulshof in de feestbundel de onderwijsperiode die ongeveer met de invoering van de Mammoetwet in 1968 begon en die pas nu lijkt uitgewoed. In de lessen stond het taalgebruik van de leerling centraal, kreeg communicatieve vaardigheid veel aandacht, en werd normatief taalonderwijs afgewezen. De gevolgen in houding ten opzichte van de eigen taal zijn er naar. Geringe aandacht voor onderwijs, zoals gezegd. Maar ook: een aantal nieuwslezers met spraakgebreken, een pleidooi voor invoering van Engelstalige colleges aan universiteiten, de eeuwige wens tot morrelen aan de spelling, en de gedurige relativering van de eigen taal en cultuur. 'Ik voel mij Europeaan', roept dan bijvoorbeeld iemand dapper, of nog erger: 'Als we bij toverslag goed (!) Engels zouden spreken, zou ik dat niet zo'n probleem vinden.'

De vage notie hierachter: afwijzen van nationalisme, want dat is een vies woord. Sommigen vinden dit soort uitspraken wellicht nog steeds het toppunt van nuance en verhevenheid, in wezen zijn ze week, zinledig en gênant. Wie geen zelfrespect bezit, kan dat respect moeilijk van de ander verwachten.

De verbrokkeling van het vakgebied door specialisatie wordt als probleem gezien. Paradoxaal genoeg is die verregaande specialisatie juist het gevolg van het succes en de volwassenheid van de studie, want deze is immers alleen mogelijk bij groei en bloei. M.C. van den Toorn, hoogleraar taalkunde in Nijmegen, ziet drie oorzaken. De enorme toename van het aantal studenten in de laatste decennia (inmiddels nemen de studentenaantallem weer af), het grotendeels wegvallen van het leraarschap als toekomstperspectief voor neerlandici, en ten slotte de internationalisering van een aantal disciplines. Dat laatste dwingt welhaast tot specialisatie: je kunt onmogelijk alle - internationale - ontwikkelingen bijhouden. Mertens noemt nog het ontstaan van studies als Algemene Literatuurwetenschap en de al gememoreerde cultuurpolitieke oorzaak: het gebrek aan trots op de Nederlandse geschiedenis, taal en literatuur. Herstel van de eenheid heeft dus prioriteit. De raad zal deze eerst intern en vervolgens naar buiten toe moeten vergroten. Daaraan blijkt grote behoefte te bestaan.

Van den Toorn vindt die eenheid belangrijk, omdat een gescheiden taal- en letterkunde slechts op armetierige wijze kunnen existeren. Bovendien dient de neerlandistiek ter versterking van de Nederlandse identiteit, zoals ook de Vaderlandse geschiedenis, en ten slotte is eenheid noodzakelijk om erkenning te krijgen: moreel, wetenschappelijk, maar ook - niet onbelangrijk - financieel en beleidsmatig. De samenhang tussen taal- en letterkunde illustreert Van de Toorn met een dichtregel van Marsman: 'de maan verft een gevaar over de gracht'. Iedereen ziet wat hier aan de hand is, maar zonder kennis van syntaxis en semantiek is een bevredigende verklaring van dit afwijkend taalgebruik niet mogelijk.

Leiden

Hoewel er ook aan de universiteiten van Franeker en Harderwijk neerlandistische activiteiten waar te nemen waren, plaatst men de oorsprong van de neerlandistiek aan een universiteit die niet in een bezuinigingsronde is gesneuveld: die van Leiden. Daar werd op 10 augustus 1796 Matthijs Siegenbeek benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de Hollandsche welsprekendheid. Ruim een jaar later hield hij zijn oratie. Een studie Nederlandse taal- en letterkunde was er daarmee nog niet. De colleges hadden de status van bijvak. Ze werden bijgewoond door juristen, classici en theologen die hun redenaarskunst wilden verbeteren. Protest was er ook. Velen vonden universitair onderwijs in de landstaal onnodig en 'eene bedenkelijke nieuwigheid'. Pas in de jaren zeventig van de negentiende eeuw werd het mogelijk in het Nederlands doctoraal examen af te leggen.

Enige verbrokkeling is ook de feestbundel niet vreemd. De bijdragen beslaan de drie vakgebieden, lopen uiteen van objectiverend tot persoonlijk, en verschillen ook in leesbaarheid. Goed leesbaar en ook prikkelend is het artikel van de Leidse hoogleraar Ton Anbeek. Hij behandelt een oeroude kwestie: de vraag in hoeverre kunst, en in dit geval moderne literatuur, wetenschappelijk verantwoord te beoordelen is. Onvermijdelijk komt hij uit bij het literaire tijdschrift Merlyn, waarvan de redactieleden - onder wie Kees Fens - in de jaren zestig probeerden hun literaire waardeoordeel te objectiveren op basis van grondige tekstanalyse.

Volgens Anbeek lijkt de studie van de moderne letteren op het eerste gezicht conjunctuurgevoeliger dan die van de Middeleeuwse. Maar nadere beschouwing leert dat er waarschijnlijk meer continuïteit bestaat dan men gewoonlijk aanneemt. Aan die aanname koppelt Anbeek de vraag naar het nut van het amechtige speuren naar een theoretische grondslag. Hem ontgaat dat. Als oorzaak van de speurzin ziet hij schaamte: voor het ontbreken van de allesomvattende theorie, en misschien ook wel voor de omgang met zoiets elitairs als literatuur. Onnodig, want volgens Anbeek is één rechtvaardiging voor het vak al voldoende: 'de waarde die wij toekennen aan de teksten die wij literatuur noemen.'

Er is alle reden voor de neerlandicus om de schaamte voorbij te zijn. Als vakdeskundige met een brede vorming en belangstelling mag en moet hij zijn stem veel meer verheffen. Op het vakgebied, waarbij vanuit de taalbeheersing zou kunnen worden begonnen met een analyse van ondeugdelijke argumentatie in betogen, maar ook buiten het vakgebied. Het aanzien van de neerlandistiek wordt immers ook vergroot door neerlandici die een goede bijdrage leveren aan maatschappelijke en (cultuur)historische discussies.

    • Tim Duyff