Vrijwilligers; Hiephee, op naar het AZC!

Van alle vrijwilligers behoren die op asielzoekerscentra tot de trouwste. Hun drijfveren variëren van naastenliefde tot lichte ijdelheid.

IN CENTRUM DE MOEFFLON te Nieuw-Vennep maken drie dames van middelbare leeftijd de papieren in orde van een jonge Senegalese vluchteling. Een van hen, Guusje, neemt achter een schot zijn maten op voor het dossier, terwijl ze hem in gebroken Engels complimentjes toefluistert. Nadat ze hem de doucheruimte heeft gewezen - “Here have you soap. Yes, washing and cleaning” - kirt ze tegen haar vriendinnen: “Hij ruikt zo lekker. Ik hoop niet dat hij dat er afdoucht.” En later over het luide gespetter op de achtergrond: “Dáár hebben ze alleen een bakkie water waar iedereen zich in zo'n dorp in wast, en dit is helemaal voor hen alleen. En dan zo'n lekkere warme douche op dat gespierde lichaam...”

Deze scène over drie vrijwilligsters is ontsproten aan het brein van de makers van het satirische VPRO-programma Jiskefet. Centrum de Moefflon bestaat niet echt. De schuchtere Senegalese asielzoeker is een acteur en dat zijn de drie dames ook. Het trio voldoet helemaal aan het stereotiepe beeld van de vrijwilliger op het asielzoekerscentrum (AZC): een menopauze in broekrok, op zoek naar bestaansrecht nu de kinderen het huis uit zijn. De asielzoeker als hobby, als levensvervulling en als pleister op de wonde van de eenzaamheid.

Of als voordelige vakantiebestemming. Deze zomer betalen enkele tientallen jongeren uit de hele wereld 140 gulden en een reis om in Nederland een paar weken in asielzoekerscentra in Markelo en Hellevoetsluis te verblijven. Ze doen er dagelijks zo'n zes uur vrijwilligerswerk: van activiteiten organiseren tot 'kunstwerken maken om de centra te versieren', zo vermeldt de brochure van de stichting Vrijwillige Internationale Aktie (VIA). Het doel: de wereld een stukje beter maken. Maar natuurlijk ook: op een tamelijk goedkope manier vakantie vieren temidden van internationale reis- en leeftijdgenoten.

De vluchteling is in, werving van vrijwilligers is nauwelijks nodig. Binnen de groep van circa 3.500 COA-vrijwilligers (werkzaam via het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers) is weinig verloop. De doorsnee-vrijwilliger is al lang geen Jiskefetdame meer. De vrijwilligers vormen een bont gezelschap van mannen en vrouwen van verschillende leeftijden, met ieder een eigen drijfveer om het werk te doen. 'Zielige mensen helpen' is geen motief meer. Wel 'een uitdaging aangaan' of 'op hoog niveau communiceren met mensen uit andere culturen'.

Dat laatste geldt voor Toon de Valk (54), een voormalige docent die al een aantal jaren wachtgeld kreeg voordat hij in januari taallessen ging geven in het vorig jaar geopende AZC in Grave. Over zijn keuze voor dit vrijwilligerswerk is hij heel duidelijk: “Het is heel nuttig om met bejaarden rond te rijden en zo, maar ik zou het niet kunnen. Ik heb een groep hoger opgeleiden. Als ik alleen maar met analfabeten te maken zou krijgen hier, dan zou het enthousiasme een stuk minder zijn. Ik vind het namelijk heel belangrijk te worden aangesproken op een bepaald niveau.”

Toons drijfveer om te werken met asielzoekers is grotendeels een professionele. De taallessen hernieuwden zijn liefde voor zijn vak. “Het was een verademing om te merken dat mensen nog enthousiast naar school konden gaan.” Ze brachten hem bovendien op het idee verder te gaan studeren. Binnenkort wil hij beginnen aan een studie NT2 (Nederlands als tweede taal).

Ook Piet Valk (57) heeft een zekere beroepsmatige invalshoek. Op het AZC doet de voormalige marketingman en consultant 'in wezen exact hetzelfde als vroeger'. “Ik verkocht mensen iets waar ze behoefte aan hebben. Hier zijn mensen die behoefte hebben om een taal te leren, dus lever ik ze die vaardigheid.” Nadrukkelijk voegt hij hieraan toe: “Het vrijwilligerswerk is puur hobby. Een hobby met verantwoordelijkheden die ik serieus neem.”

En dat blijkt. Van alle zeventien vrijwilligers van het asielzoekerscentrum in Grave is Piet Valk de fanatiekste, zo klinkt het unaniem. Hij organiseert excursies naar de sluis en de banketbakker, nodigt zijn groep thuis uit voor koffie met gebak en vergezelt tussendoor een zwangere Afghaanse bij een afspraak met iemand van de Thuiszorg.

Piet kan het niet helpen, hij is nu eenmaal 'heel gevoelig voor stemmingen van gesprekspartners'. “Dan zit daar zo'n vrouwtje, een beetje droevig en triest en dan wil ik weten hoe dat komt”, vertelt hij. “Zoals laatst. Er is een vrouwtje dat zit hier zeven, acht, negen maanden met haar man en dochtertje. Haar man zit te zitten. Dag in dag uit. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Nou, ik kom met dat vrouwtje aan de praat en ik heb haar eens mee naar huis genomen. Heeft ze kennis gemaakt met mijn vrouw en dochters.”

Ook toen een bewoonster uit Ethiopië geestelijk in de knel raakte, was Piet een van de eersten die hulp boden. “Het was een stralende jonge vrouw. Keurig verzorgd”, herinnert hij zich. “Plots meldde ze zich ziek en een ander zei me: ze is ziek in haar hoofd. Toen ben ik met wat andere dames naar haar kamer gegaan. Ik zag een wrak. Van dat stralende, lieve vrouwtje was helemaal niets meer over. Ze zei niets, maar hield mijn arm ruim een kwartier lang vast.” Piet heeft een dusdanige band met het centrum opgebouwd dat hij het vrijwilligerswerk niet meer zou kunnen missen. “Pas hadden we een week vakantie. De maandag erna stond ik heel gelukkig op en dacht: huphee, ik mag weer naar het AZC!”

Van oudsher is de kerk een belangrijke leverancier van vrijwilligers, zeker als het gaat om vluchtelingen. Het kerkasiel is er een voorbeeld van en met regelmaat worden lokale inzamelingsacties gehouden. Toch is het geloof geen garantie voor tolerantie, weet Marretje Jongbloed (35). Voordat het asielzoekerscentrum in Grave werd geopend, organiseerde de kerk een inzamelingsactie voor speelgoed. “Ik schrok van de reacties van sommige medegelovigen. Wanneer je christen bent, zou je open moeten staan voor vluchtelingen, maar dat bleek in de praktijk ver te zoeken. Dat was een grote teleurstelling.”

Volgens haar zijn vrijwilligers allang niet meer 'mensen die zich vervelen'. Zelf heeft ze drie kinderen, een man met een drukke baan en 'meer dan genoeg om handen'. Hoewel de 'vutters' nog altijd een belangrijke groep zijn, wordt vrijwilligerswerk op een AZC steeds meer een zaak van mensen die het 'erbij doen'. Zij vervullen een belangrijke taak. Niet alleen zijn de vrijwilligers in aantal inmiddels even groot als de groep betaalde COA-medewerkers van de opvangplaatsen, hun werk wordt ook steeds professioneler. Ze verzorgen de taallessen en houden de centrumcrèches draaiende.

'Verantwoordelijkheid hebben', blijkt een drijfveer voor Ank Boonstoppel (56). Ze heeft een parttimebaan in de verzorging, waar 'jongere krachten langzaamaan alle managementtaken overnemen'. “Ik heb het gevoel dat ik in die baan niet verder kom. Het is leuk en nuttig, maar ik ben inmiddels aan het einde van dat traject. Je kunt op het AZC veel van jezelf kwijt, er is vrijheid om zelf te bedenken wat je je groep nog meer kunt leren.”

Professionele belangstelling, na een glansrijke carrière actief willen blijven, naastenliefde of aanvulling op een ietwat onbevredigende baan. Volgens de vrijwilligers van het AZC in Grave hebben alle drijfveren één ding gemeen: een beetje ijdelheid. Toon de Valk: “Als je iets bereikt met die mensen streelt je dat. Ik heb laatst het belastingstelsel uitgelegd. Als ze dat dan helemaal begrijpen is dat een prestatie. Van hen, maar ook van mij.”

    • Aranka Klomp