Trou moet blijcken

Erik Menkveld (geb. 1959)

Poème de l'extase (Skrjabin)

Rustige avond met een glaasje

Poes, die warme zak

en Skrjabin. Hoe hoger

dat koper hoe hoger

hoe geraakter.

Tot dat beest moet hebben gedacht:

die blijft geen schoot

die gaat weer uit deze stoel

als een langzame duif

in de lucht staan wuiven

die gaat weer als een merel

met zijn ogen dicht

zijn bek staan tuiten

want hij dook onder tafel.

En even later sloeg ik

de bekkens en de maat

floot ik trompetten en fluiten.

Braver kan een gedicht toch al niet beginnen

Rustige avond met een glaasje Poes, die warme zak

een gedicht dat met zo'n idylle inzet, dat zou misschien ook verder een heel braaf, tuttig gedicht kunnen worden, maar een beetje poëzielezer weet natuurlijk al dat zoiets niet kan duren en dat zóveel gezelligheid een angel in zich moet bergen. In de negentiende eeuw zou - in de verdere coupletten - vast nog luid gesnord worden door Poes, het glaasje zou op het vaderland worden geleegd, waarna kindje binnenkwam en heel het huisgezin het op een oorverdovend juichen zet, maar de moderne poëzielezer is geschoolder geworden - al heeft hij nooit les gehad in poëzie - getrainder, argwanender.

Rustige avond met een glaasje

- oei, denkt de moderne lezer meteen al, het zal wel. Als dat maar goed afloopt. Dat wordt onweer met gerinkel. Wij zien té veel vrede onmiddellijk als signaal. Niet de poëzie heeft ons zo afgericht, maar de wereld, ons leven.

Het mooie aan zo'n inzet is - en dat weet de dichter - dat er maar één idylle is en dat het daarna op eindeloos veel manieren fout kan gaan. Hoe de idylle wordt verstoord blijft steeds weer een verrassing. Van de kwaliteit van de dichter hangt de kwaliteit van de idylle-verstoring af. Bij Erik Menkveld is het de extatische toestand die het overneemt. Van rust naar extase is een grote stap. Menkveld neemt die stap - van de huiskamer naar de hemel, zal ik maar zeggen - moeiteloos.

Rustige avond met een glaasje

Poes, die warme zak

en Skrjabin.

Jawel, één woord extra. Skrjabin. De muziek draait

Hoe hoger

dat koper hoe hoger

hoe geraakter

- let op dat herhaalde hoe hoger. De eerste en nog louter mechanische omwenteling van de plaat, de CD, zit daarin - het moet de hoorder nog raken, het raakt, het is geraakter.

Tot dat beest moet hebben gedacht:

die blijft geen schoot

die gaat weer...

- enfin, Poes zág het dus al aankomen, niet zozeer uit muzikale begaafdheid als wel omdat het niet de eerste keer is dat schoot van baas zo gek begint te doen. Die blijft geen schoot, een pars pro toto, mooi is dat. En het weer tekent de poes als vertrouweling van de situatie die nu intreedt. Deze Menkveldse komiek en dit laconieke laten de overgang van burgerlijke naar mystieke staat haast ongemerkt verlopen: de baas is al opgestaan, de schoot is los, de geest is verrezen, de kat zit onder tafel.

Het lukt Menkveld zijn zotte toestand van vervoering aannemelijk te maken door de haast verontschuldigende ondertoon van spot. Extase is een honds moeilijk en explosief gegeven, waar veel dichters hun vingers en ziel aan hebben gebrand. Het lukt hem door de extase uitsluitend aan de hand van uiterlijke kenmerken te beschrijven en dan ook nog eens, voor het grootste deel, gezien door de ogen van Poes. Staan wuiven als een langzame duif. Met zijn ogen dicht zijn bek staan tuiten als een merel. Vanzelfsprekend denkt een poes in vogelmetaforen.

De doeltreffendheid van de omtrekkende beweging. Even later - Poes weg - is de mystieke toestand compleet. Wuivend, tuitend, slaand en fluiten fluitend staat de zot daar. Wij herkennen hem. We zijn betrapt. We worden bespied - zoals we de dichter bespieden - op een moment dat iemand zich onbespied waant. We zien de extase van het enthousiasme, van de vervoering die door een grote vervoering wordt teweeggebracht. We kennen het allemaal: hoe hoger hoe geraakter tot het raak is. De vervoering van de concentratie, die op de meest alledaagse avonden bij een glaasje kan toeslaan. De overgave waarmee we ons zelf voor gek zetten, en vertel het niet verder.

Dit is niet zozeer een gedicht van toestand, maar van een gebaar: van dat punt waarop je, eerst nog langzaam deinend en schokkend, moet. Je overgeven. Gekke gezichten trekken. Meedirigeren. Van de wereld af zijn. Opgaan in de kunstenaar. Zelf kunstenaar zijn.

Zo laat een gedicht af en toe prachtig de mens in zijn naaktheid zien, zoals we ons in werkelijkheid voor geen goud zouden willen tonen, in onze meest lachwekkende kwetsbaarheid.

(Uitgesproken ter gelegenheid van de uitreiking van de C. Buddingh'-prijs op zondag 14 juni jl., op Poetry International in Rotterdam)

    • Gerrit Komrij