Recht en macht

DE NEDERLANDSE rechtspleging kan zich meten met die in het buitenland. Dat was de duidelijke uitkomst van een enquête van het ministerie van Justitie onder een scala van belanghebbenden die vorige maand werd gepubliceerd.

Maar er valt ook nog veel te verbeteren, vooral aan de lengte van de procedures. Voor de civiele en bestuursrechtspraak kan dat naar schatting 1,5 miljard gulden per jaar aan maatschappelijke besparingen opleveren. Voor het strafrecht zit er nog eens een vergelijkbaar bedrag in.

Verbeteringen kosten geld. De officiële adviescommissie-Leemhuis schatte deze kosten op 300 miljoen gulden structureel en 170 miljoen incidenteel. Dit bedrag ligt nu op tafel bij de kabinetsformatie. Gezien de te verwachten baten moet de keuze niet moeilijk zijn. Toch is er een complicatie, signaleert de deken van de Orde van advocaten, Von Schmidt auf Altenstadt, in zijn openingscommentaar in de laatste aflevering van het Advocatenblad: “Als de rechterlijke macht niet in staat is om één toekomstbeeld over de modernisering te hanteren en die visie uno voce uit te dragen, zal er helemaal niets gebeuren.” DIT IS EEN opmerkelijke waarschuwing. De balie pleegt, begrijpelijk, voorzichtig te zijn met het uitspreken van oordelen over de onafhankelijke rechterlijke macht. Deze is inderdaad verdeeld over de hervormingen, maar dat heeft goede redenen. De verdeeldheid hangt vooral samen met het instellen van een Raad voor de rechtspleging in combinatie met gerechtelijke besturen met bestuurlijke en regelgevende bevoegdheden waartoe de commissie-Leemhuis heeft geadviseerd. Op zichzelf willen de rechters ook wel erkennen dat de beheersstructuur 'de achilleshiel' vormt van de zittende magistratuur, zoals minister Sorgdrager het heeft uitgedrukt.

Veel rechters hikken echter ook aan tegen de remedie van een top-downstructuur, die hun wordt toegedacht: de “hiërarchisering van de rechterlijke verhoudingen”, zoals de commissie-Leemhuis het eerlijk noemde. De commissie noemde deze prijs “onvermijdelijk” voor het verwerven van meer afstand van de zittende magistratuur tot de politieke machten van de dag. Dat is op zichzelf een zwaarwegend argument. De onafhankelijke rechterlijke macht is op het ogenblik in praktisch opzicht (mankracht, computers) veel meer afhankelijk van het departement van Justitie dan past in gezonde constitutionele verhoudingen.

De manier waarop de commissie-Leemhuis vormgeeft aan het alternatief van een Raad voor de rechtspraak is echter gebrekkig. Haar voorstel vormt een illustratie bij de verzuchting van de Utrechtse hoogleraar staatsrecht, Ten Berge, dat de rechterlijke organisatie juridisch gezien een achtergebleven gebied vormt. Hij sprak overigens diplomatiek over “een ontwikkelingsgebied”. Hoe dan ook, daar is de rechtspraak te belangrijk voor. Het moet doenlijk zijn heldere interne rechtsverhoudingen te scheppen zonder te vervallen in hiërarchische patronen. Een voor de hand liggend ontwikkelingsgebied is de verantwoordingsplicht van de gerechtelijke besturen aan de individuele leden van de zittende magistratuur. Bijvoorbeeld over het onderwerp procesbeheer. Dat is een wezenlijk element van de rechterlijke onafhankelijkheid, waarschuwden de president van de Hoge Raad en de procureur-generaal bij het hoogste rechtscollege vorig jaar eendrachtig. In de woorden van een lid van het gerechtshof Amsterdam: gaan politiek gevoelige zaken naar de rekkelijken en blijven de preciezen uit de wind, of andersom? DE COMMISSIE-LEEMHUIS deed ook te makkelijk over de opdracht aan de zittende magistratuur om meer intern beleid te ontwikkelen over inhoudelijke kwesties zo verscheiden als de normen voor alimentaties, straftoemetingstarieven of de spelregels voor telefoontaps. Daarover worden nu al afspraken gemaakt tussen rechters in onderling in ondoorzichtige samenstelling. Officiële richtlijnen hebben tenminste het voordeel van de duidelijkheid. Ze moeten dan wel behoorlijk bekend worden gemaakt, zodat de rechtzoekenden tenminste weten waar ze over - of tegen - moeten pleiten.

Maar er komt meer kijken bij rechterlijke richtlijnen. De kern van de rechtspraak is de forumfunctie, recht doen in het openbaar. Dat geldt helemaal voor richtlijnen. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de commissie-Leemhuis geen aandacht besteedt aan de waarborgen voor rechterlijke beleidsvorming. Het minste is dat de Raad voor de rechtspraak zijn eigen 'rechtzittingen' organiseert zodat geïnteresseerde partijen hun visie en verlangens kunnen bepleiten.

Zolang dergelijke elementaire waarborgen voor de rechterlijke afstemming ontbreken, is het maar goed dat de zittende magistratuur niet met één stem spreekt.