Medische hulp; Tegen onzekerheid is geen medicijn

Hoofdpijn, slaapstoornissen, angstaanvallen. Het zijn maar enkele van de klachten waarmee asielzoekers in de opvangcentra kampen. Een nieuw model voor de medische hulpverlening moet de situatie verbeteren. Maar het kan de belangrijkste oorzaak van de kwalen, de lange wachttijden, niet wegnemen.

DE FAMILIE F. verblijft ruim vier jaar in het asielzoekerscentrum Stevensbeek (Brabant). Vader, moeder en hun twee volwassen dochters bewonen er een kamer van zes bij drie meter. Moeder is niet opgewassen tegen de spanningen, de apathische sfeer en het gebrek aan privacy. Ze wordt depressief, krijgt nachtmerries en praat steeds vaker over zelfmoord.

Na veel omzwervingen komt ze terecht bij de RIAGG. Haar psychotherapeut adviseert de directie van het asielzoekerscentrum in een brief het gezin over te plaatsen, omdat het anders wel eens slecht zou kunnen aflopen. Op 24 april van dit jaar - een maand na de brief - escaleert de situatie: mevrouw F. valt de directrice van het asielzoekerscentrum aan en wordt door de politie meegenomen naar het bureau. Het hele gezin krijgt een centrumverbod en is sindsdien dakloos.

Een incident? Nee, zeggen organisaties als VluchtelingenWerk en Stichting Pharos, het steunpunt gezondheidszorg voor vluchtelingen. Precies twee jaar voor het incident brachten zij naar aanleiding van alarmerende signalen van hulpverleners in de asielzoekerscentra gezamenlijk het dossier Asielzoekers, laat ze niet zitten uit. Het dossier is een aanklacht tegen de “uit humanitair oogpunt onverteerbare gevolgen” van de lange asielprocedure. Het gebrek aan privacy in de grootschalige opvang, het gedwongen nietsdoen, maar vooral de langdurige onzekerheid over de uitkomst van de procedure leiden tot onverantwoorde situaties, schreven de organisaties. Vorige maand maakte VluchtelingenWerk bekend dat meer dan 12.000 van de ruim 40.000 asielzoekers in de Nederlandse centra al langer dan anderhalf jaar wachten op de uitslag van hun asielaanvraag. Ruim 5.000 asielzoekers wachten zelfs al langer dan drie jaar.

Uit een rondgang langs dertien medische teams in opvang- en asielzoekerscentra blijkt dat het aantal consulten van asielzoekers toeneemt en dat de klachten steeds ernstiger worden. Psychosomatische klachten (hoofdpijn, slechte eetlust, maagpijn), maar ook psychische klachten (slaapstoornissen, depressies, angstaanvallen en gevoelens van machteloosheid). Ook het alcohol- en drugsgebruik en het aantal gevallen van agressiviteit en zelfverminking in de centra neemt toe volgens de hulpverleners. Diverse teams melden dat zij de problematiek van de asielzoekers nauwelijks meer aankunnen. “Af en toe bevonden we ons in de positie van slachtoffers”, zegt een arts in het dossier 'Asielzoekers, laat ze niet zitten'. “Daarom hebben wij een psycholoog van de RIAGG ingeschakeld om ons hele team voor een paar maanden te begeleiden.”

Pharos-medewerker Wim Thijs heeft begrip voor de reactie van de hulpverlener: “Als arts ga je je afvragen: wat is mijn rol in het geheel? Heeft het wel nut als ik medicijnen voorschrijf of therapeutische hulp bied? Fungeer ik daarmee niet als kruipolie voor een twijfelachtig opvangmodel?”

De Geneeskundige Inspectie van de Volksgezondheid trok begin jaren negentig al aan de bel. In haar jaarrapportage over 1993 meldde zij dat het niveau van de gezondheidszorg voor asielzoekers beneden peil is. Dit heeft volgens de Inspectie drie oorzaken: door de grote (en soms onverwachte) stromen asielzoekers zijn huisartsen niet tijdig voorbereid; de (basis)artsen in de centra hebben vaak onvoldoende ervaring met de ernstige psychische problemen van asielzoekers en de afbakening tussen de werkzaamheden van bijvoorbeeld artsen en verpleegkundigen in de centra is onduidelijk.

Deze zaken, in combinatie met de lange verblijfsduur in de centra, leidt volgens de Inspectie tot een verslechtering van de geestelijke en lichamelijke gezondheid van asielzoekers. Ook in de jaren daarna plaatste de Inspectie keer op keer kritische kanttekeningen bij de medische begeleiding in de opvang- en asielzoekerscentra.

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), dat sinds 1987 de medische opvang van asielzoekers in de centra verzorgt, raakte er van doordrongen dat zij de medische zorg van haar cliënten moet uitbesteden aan de reguliere gezondheidszorg; het COA is een opvangorganisatie en geen zorgorganisatie. Dat heeft mede geleid tot een nieuw model voor de medische opvang van asielzoekers. Na vier jaar onderhandelen tussen diverse instanties, zoals Geneeskundige Inspectie en het COA, is besloten dat de preventieve zorg moet worden overgedragen aan de GGD's. Zij worden verantwoordelijk voor onder meer de sociaal-medische zorg, de jeugdgezondheidszorg, gezondheidsvoorlichting en infectieziektenbestrijding. De curatieve zorg zal door hulpverleners in de omgeving van het centrum - huisartsen, maatschappelijk werkers en RIAGG's - worden aangeboden.

In een convenant is vastgelegd dat dit systeem uiterlijk 1 januari 2000 overal moet zijn ingevoerd. Maar in oktober 1994 is in het asielzoekerscentrum Dronten (Flevoland) al een pilot-project begonnen dat het nieuwe model in de praktijk moest toetsen. Het medische opvangteam Dronten werd bij de GGD-Flevoland gedetacheerd. Het totale aantal formatieplaatsen bleef gelijk, maar werd, anders dan voorheen, verdeeld over diverse beroepsgroepen: sociaal-geneeskundigen, sociaal verpleegkundigen, jeugdverpleegkundigen, jeugdartsen en curatief werkende verpleegkundigen. Hoewel de curatieve zorg volgens het reorganisatieplan zoveel mogelijk extern moet worden aangeboden, is wegens de geïsoleerde ligging gekozen voor een huisarts binnen het asielcentrum zelf. Voor de overige curatieve hulp - kraamzorg, tandartshulp, psychiatrische zorg - kunnen de circa achthonderd bewoners bij een van de zorgverleners in de omgeving terecht.

Peter Meijknecht, directeur van de GGD-Flevoland onderstreept het voordeel van die constructie: “De GGD kent vrijwel alle huisartsen en RIAGG-medewerkers in Dronten en heeft veelvuldig contact met het ziekenhuis. Als er een keer stront aan de knikker is, dan zijn we dus snel ter plaatse, veel sneller dan het COA vanuit Rijswijk.”

Volgens sociaal-geneeskundige Ineke Smidt, werkzaam in het asielzoekerscentrum Dronten, heeft het nieuwe model nog twee andere voordelen: door de differentiatie van zorg is er meer aandacht voor preventie, waardoor medicalisering van gezondheidsproblemen wordt tegengegaan. Doordat de curatieve zorg buiten het centrum wordt geplaatst, raken bewoners bovendien vroegtijdig vertrouwd met de Nederlandse gezondheidszorg. “Dat neemt niet weg”, zegt Smidt, “dat het huidige opvangmodel met de lange wachttijden bijzonder ziekmakend is, en dat je de klachten daardoor nooit helemaal kunt wegnemen. Het blijft een kwestie van pappen en nat houden.”

Het pilot-project wordt volgens interim-manager A. Booij evenwel als een succes beschouwd. “Er is nooit een effectrapportage uitgevoerd, maar ik hoor de bewoners zelden klagen.” Peter Meijknecht van GGD-Flevoland meldt dat het model binnen een jaar in alle opvang- en asielzoekerscentra in Flevoland zal worden ingevoerd. “Het wachten is alleen nog op de financiële middelen.”

Ook de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) begon in juli 1997 vanuit Utrecht een pilot-project om het nieuwe zorgmodel alvast te kunnen testen: de huisartsenpool. Bij dit systeem springen huisartsen bij in centra waar de regionale huisartsencapaciteit onvoldoende is om aan de (plotselinge) toestroom van asielzoekers het hoofd te bieden. LHV-stafmedewerker Paul Rasch: “De huisartsenpool is een effectief vangnet, maar de LHV beschouwt hem nog altijd als een branchevreemd fenomeen. We zijn een beroepsvereniging, geen 'BV Huisartsenvoorziening Moeilijke Gebieden'. Voor je het weet komt de vraag naar een pool voor illegalen of voor de mijnstreek. Dat willen we in de toekomst voorkomen.”

Ruim anderhalf jaar voor de officiële invoering van het nieuwe model zijn er nog veel vragen onbeantwoord. Titia Feldmann, hoofd medische opvang van het COA: “Aanvankelijk dacht men dat de klus binnen een halfjaar wel zou zijn geklaard, maar dat viel flink tegen. Er moesten heel wat obstakels worden overwonnen, zowel in bestuurlijke als praktische zin. Ook in juridische en financiële zin zijn we er nog niet helemaal uit.”

Feldmann geeft ook toe dat zelfs een goed opererend medisch opvangsysteem zijn beperkingen kent. “In de huidige constructie, waarbij asielzoekers soms meer dan drie jaar in een centrum verblijven, is er weinig privacy, kunnen bewoners zich nauwelijks ontwikkelen en verkeren zij in grote onzekerheid over hun toekomst. Daarmee wordt de fatsoensnorm in Nederland duidelijk overschreden.” MEDISCHE HULP

    • Danielle Pinedo