Indirect bewijs moet leiden tot straf in voorkenniszaak

Het Openbaar Ministerie heeft geen harde bewijzen tegen de verdachten in de BolsWessanen-affaire. Hun onderlinge relaties en de tijdstippen waarop ze op de beurs handelden in het fonds moeten nu leiden tot een veroordeling.

AMSTERDAM, 18 JUNI. Een requisitoir van 180 pagina's omvatte gisteren de bewijsvoering van het Openbaar Ministerie tegen acht verdachten in de voorkenniszaak BolsWessanen. De officieren van justitie hadden een hele dag nodig om het dikke boekwerk, ondersteund met schema's op een overheadprojector, aan de rechtbank voor te leggen.

Officier H. de Graaff gaf bij aanvang van zijn betoog al direct aan dat er geen enkel hard bewijs bestaat waarmee kan worden aangetoond dat de verdachte handelaren en beleggers in 1994 en 1995 met voorkennis hebben gehandeld. Evenmin beschikt hij over bewijs dat de voormalig BolsWessanen-directeur T. van N. in onder meer restaurant Blanje Bleu te Bentveld zijn mond voorbij zou hebben gepraat over de slechte resultaten van zijn bedrijf.

De Graaff beriep zich op het zogeheten circumstantial evidence. Door vast te stellen dat de verdachten geen andere motieven hadden om te handelen in opties en aandelen BolsWessanen dan dat ze beschikten over voorwetenschap wil hij indirect hun schuld aantonen. In een eerdere voorkenniszaak (in het beursfonds Weweler) heeft deze aanpak tot een veroordeling geleid.

De verdachten hebben toegegeven dat ze vlak voor publicaties van slechte resultaten van BolsWessanen in 1994 en 1995 hebben gespeculeerd op scherpe koersdalingen. Ze ontkennen daarbij echter misbruik van voorkennis.

“Waarom deed een groep mensen met onderlinge relaties transacties in het fonds terwijl dat niet marktconform was?”, vroeg De Graaff zich af. “Het kwam zomaar in ze op om risicovolle put-opties BolsWessanen te kopen, at random. Dat is wel heel opmerkelijk als we kijken naar de data. De meesten kochten op dezelfde dag.”

De afgelopen twee weken hebben de verdachten in de zaak aangegeven waarom ze precies op die specifieke dagen put-opties hebben gekocht of certificaten van aandelen BolsWessanen hebben verkocht. Hun beweegredenen waren, zo zeiden ze, de lagere dollar, de dalende lire, lagere kaasprijzen, of omdat ze een gokje wilden wagen.

De Graaff veegde gisteren al die argumenten van tafel. De dollar en de lire waren zich juist aan het herstellen en de kaasprijzen waren niet zo laag dat dit op korte termijn desastreuze gevolgen zou hebben voor de winst en de beurskoers van BolsWessanen. De officier van justitie stelde dat hun argumenten afkomstig waren uit het persbericht waarvan ze op de transactiedagen geen weet konden hebben. “Hun verklaringen zijn georkestreerd. Duizenden andere beleggers beschikten over die algemene informatie. Waarom deden zij deze transacties in BolsWessanen dan niet?”

Het tweede deel van de bewijsconstructie is de onderlinge relatie tussen de verdachten. Justitie heeft dit na een zogenaamd 'sociaal onderzoek' aantoond. Nadat bekend was wie op de bewuste dagen in BolsWessanen hadden gehandeld, legden de opsporingsambtenaren, na onder meer adresvergelijkingen, relaties bloot. Zo ontstond een netwerk van verdachten die via-via T. van N. kenden, voormalig groepsdirecteur van BolsWessanen, die vaak at en dronk in restaurant Blanje Bleu in het NoordHollandse Bentveld. Hij zou de verdachten getipt hebben omdat hij rancuneus was geworden nadat zijn bedrijf hem een functie had gegeven zonder verantwoordelijkheden.

De officieren van justitie eisten zware gevangenisstraffen. Na afloop van de zitting reageerden de verdachten en hun advocaten verbijsterd. “Ze hebben alles op één hoop geveegd”, zei optiehandelaar Lex B. Koos M: “De Graaff zei twee weken geleden dat de zaak een schaakspel was. Dit leek meer op ganzenborden.”

    • Sjouke Rijper