'Ik heb geen ideeën over het theater'; Romeo Castellucci over zijn 'Giulio Cesare'

Vanavond gaat 'Giulio Cesare', een omstreden voorstelling van de Italiaanse regisseur Romeo Castellucci, in Nederlandse première. Anorexia- en kankerpatiënten spelen er een rol in. “Niet ik heb daarvoor gekozen maar Shakespeare's stuk”.

Giulio Cesar t/m 20/6 in Westergasfabriek TTA. Res. (020) 621 12 11 of 530 71 11.

AMSTERDAM, 18 JUNi. Enfant terrible van het Italiaanse theater wordt hij wel genoemd, maar zo ziet Romeo Castellucci er helemaal niet uit. Hij is een zachtaardige, jongensachtige man van 38 jaar, vader van zes kinderen, goedlachs en zeer bereid over zijn voorstelling Giulio Cesare te praten. Bijna te bereid, omdat zijn woordenstroom zich moeilijk onderbreken laat en dat toch hoognodig is. Het antwoord op de simpelste vraag wemelt van namen van grote antieken of hun werken - Plutarchus, Plato, Tacitus, Gorgias - die Castellucci in een adem door in verband brengt met de historische Julius Cesar en het door hem geënsceneerde stuk van Shakespeare over de vermoorde Romeinse keizer.

Hoewel Giulio Cesare - de vijfentwintigste produktie, schat Castellucci zelf, die hij met zijn groep Societas Raffello Sanzio heeft gemaakt - vanavond pas voor het eerst in Nederland te zien is, gaat de voorstelling al door voor zeer controversieel. Er treden geen professionele acteurs in op, maar anorexia-patiëntes, een keelkankerpatiënt, een immens dikke en een stokoude man. Ze maken deel uit van een moeilijk te volgen maar fascinerende eredienst, vol apocalyptische taferelen. De voorstelling bestaat uit twee delen: het eerste, 'Onan' genaamd, kan gezien worden als een exposé, het tweede deel, 'Psyche' speelt zich af in een zwartgeblakerde woestenij en is de sombere apotheose.

'Retoriek' is het sleutelwoord dat steeds weer terugkeert in een gesprek met Castellucci. “Ik ben vooral geïnteresseerd in het retorische woord, in theorieën als 'de esthetiek van de emotie', zoals Plato die geschreven heeft. Ik heb voor deze voorstelling uitgebreid bronnenonderzoek verricht en er is naar mijn mening geen stuk van Shakespeare waarin hij de historische waarheid zo dicht gevolgd heeft. Daarom is de retoriek van de politici zo sterk aanwezig. Toch zijn het niet hun woorden die me boeien, ze bezigen ten slotte een soort reclametaal. Wat me bezig houdt is retoriek als technologisch begrip, als verschijnsel dat zich aan wetten houdt. Het is een heel modern verschijnsel in plaats van achterhaald, zoals de meeste mensen denken. En het is het kernbegrip van theater: de esthetiek van de emotie is het enige dat er in het theater zelfs toe doet.”

Dat hij zijn theatrale retoriek kracht bijzet met zieke mensen is voor Castellucci volstrekt logisch en natuurlijk. “Niet ik heb hiervoor gekozen maar Shakespeare's stuk. Ze zijn personen met in een bepaald opzicht perfect lichaam, volmaakte vormen om ons in een staat van verwondering te brengen. Ze bevinden zich op de grens van realiteit en een andere wereld - nee, geen sprookjeswereld: een ándere wereld. Een van de religieuze functies van theater is het aan den lijve laten voelen van het overgaan van de ene in een andere wereld. Net als in de kerk is het transcendente van wezenlijk belang in het theater. Film en literatuur beschikken niet over die mogelijkheid, want het zijn geen vleselijke, moment-gebonden kunstvormen. Re-ligie betekent letterlijk: samenbrengen en dat kan alleen in de kerk of in het theater.

“Ik ben leeg en onpersoonlijk, heb geen ideeën over theater en nog minder een stijl. Door bronnenonderzoek en analyse ontdekte ik dat Shakespeare's stuk in twee delen uiteen valt. Het eerste gaat over de obsessie voor het woord. Het tweede, dat op het slagveld speelt, gaat over de afbraak van het woord, over het menselijk gemis van een centrum. In geen ander stuk uit de Westerse literatuur komen zoveel zelfmoorden voor. Er moesten dus spelers komen die voortdurend oorlog voeren met zichzelf en verliezen lijden.

“Ik weet niet waarom ik theater en ook niet waarom ik dít theater maak. Als ik dat wist, deed ik het niet: ik ben ook maar een toeschouwer. Als het publiek geshockeerd raakt, dan moet het bedenken dat niet ik shockeer, maar dat zij dat zelf doen. Men raakt geshockeerd door wie en wat men zelf is en door niets anders - de confrontatie met bij voorbeeld deze voorstelling is slechts aanleiding. Theater gaat over iets maar tegelijkertijd over alles. Het is een universele ervaring en geen illustratie. Het gaat om de ontmoeting met figuren, personages, spelers. Als het goed is onderhoudt de toeschouwer een intieme relatie met hen, waar ik als regisseur geheel en al buiten sta”.

    • Pieter Kottman