Henry's oorlog

IJMUIDEN. De zware voordeur ligt er half uit, Annie en Henry zitten er verslagen bij. Ze voelen zich niet veilig in het oude, lage rijtjeshuis aan een boomrijke straat in IJmuiden. Twee weken geleden viel de politie binnen om Henry (59) op te halen. Maar hij had ze al gezien en was snel over de tuinmuur gesprongen. “We komen terug”, zeiden de geüniformeerden.

's Avonds, vlak na de wedstrijd Nederland-Nigeria, waren ze er weer. Annie was weg. Henry had net zijn laatste slok pils op toen hij ze op de deur hoorde bonzen. Hij snelde de trap op. De verzwakte deur barstte open. De agenten stormden naar boven en vonden hem hijgend van angst in een kast van de zolderkamer. Hij werd geboeid meegenomen naar het bureau. In de cel kwam een psychiater van de RIAGG binnen. “Ik zeg u inbewaringstelling aan”, zei hij en hij ging weer weg. Daarop volgden 24 uur in een naburige isoleercel om te kalmeren. Hij eindigde in de inrichting Duin en Bosch in Castricum. Henry kende het, want hij heeft er al maanden gezeten.

Dit keer schoot een rechter hem te hulp. Ze las het dossier, belde, hoorde getuigen maar vond de feiten te licht voor verdere opsluiting. De psychiater van Bosch en Duin en de RIAGG-arts twistten over het type psychische aandoening. De politie kwam niet verder dan “klachten uit de buurt.” Nu zit Henry weer bij zijn vriendin in huis en kijkt hij schuw naar buiten. Hij vermoedt een complot van politie en buurtgenoten en hij hoopt het door diepgaand onderzoek te kunnen openbaren.

Henry's 'recherchewerk' bestaat uit telefoneren en faxen, vaak en veel. Ook spreekt hij mensen aan op straat. Sommigen zien het als 'stalken' maar Henry wil juist contact om de feiten boven water krijgen. Tot nu toe heeft de politie niets strafbaars opgemerkt. Er zijn slechts vermoedens en aanklachten waarvan sommige ernstig.

Henry's oorlog met de buurt begon augustus vorig jaar toen hij een groepje jongens en meisjes voorstelde een krantenknipselclubje op te richten. Ze lachten hem uit maar vertelden thuis dat hij gegevens over Dutroux verzamelde. De eerste aanklachten kwamen binnen bij de politie. Een paar maanden later werd een meisje van twaalf huilend naar huis gebracht uit de naburige bibliotheek. Daar stond de kleine rentenier altijd knipsels te kopiëren voor zijn vele dossiers. Hij zou haar naam in grote krantenkopletters op een vel hebben geplakt. Hij zou gevraagd hebben of ze op zijn schoot wilde zitten. Ook zou hij haar ooit hebben gevraagd of zij al “open was van onderen.” Later zou hij naast haar zijn gaan fietsen en hebben gedreigd haar paard te doden als ze haar mond niet eens hield over hem. En zo is er meer.

Volgens Henry berusten de beschuldigingen op misverstanden. Hij had het niet gezegd of zijn woorden waren verkeerd opgevat of verdraaid. Jongeren in de buurt die hem treiteren, zouden erop uit zijn hem te pakken. Maar voor de moeder was de angst van haar dochter genoeg om zelf haar recht te halen. Buiten de bibliotheek wachtte ze hem vorig jaar oktober met een vriend op en ze sloeg en trapte hem tegen de grond. Dat zou hem leren. De volgende dag ging hij aangifte doen bij de politie. De moeder van het meisje zat al op het bureau met een vriend. Omdat hij nog meer geweld vreesde, had hij een tennisracket meegenomen. Tot zijn verbazing nam de politie zijn aangifte niet op maar werd hij in ambulance met spanlaken afgevoerd. Hij zou “gevaarlijk hebben gezwaaid” met het tennisracket. Volgens de psychiater had hij achtervolgingswaanzin maar inmiddels is die gerechtvaardigd omdat de hele buurt zich tegen hem heeft gekeerd en hij zijn eigen flat, vlakbij het huis van zijn vriendin, niet meer in durft uit angst voor represailles.

In de inrichting draaide hij mee in de routine van ontbijt, ochtendwandeling, zitten, niets doen, knippen, plakken, boetseren en naar kettingrokende patiënten kijken. Sommigen deden eng. De psychiater kreeg hij nauwelijks te spreken. Verpleegkundigen wilden zijn verhaal niet aanhoren. Ze vroegen hem of hij geen spuitje of pillen wilde. Dat weigerde hij. De rechter gaf een rechterlijke machtiging voor een half jaar gedwongen opsluiting.

Tijdens de verplichte ochtendwandeling vluchtte hij. De volgende dag werd hij in Lisse opgepakt. Later, december vorig jaar, vluchtte hij weer en hij dook een paar weken onder in het drukke Amsterdamse stadsleven. Omdat de therapeuten toch niets met hem aan konden vangen besloten ze hem te laten lopen onder voorwaarde dat hij niemand uit de buurt meer zou lastig vallen. Die voorwaarden zijn hem nooit verteld. In april werd hij nog een keer opgepakt en vluchtte hij weer.

Inmiddels is de rechterlijke machtiging afgelopen. Hij wil nog steeds zijn onschuld bewijzen. Daarvoor heeft hij verklaringen nodig van buurtgenoten. Maar die zien hem al aankomen. Afgelopen luilakdag, eind mei, kreeg hij eieren tegen zijn raam. Hij zag de jonge daders om de hoek verdwijnen waar - naar later bleek - banden van auto's werden doorgeprikt. Meteen gingen er geruchten dat hij het had gedaan. Dat was een week voor hij werd opgepakt.

Henry is een man met een gebruiksaanwijzing, misschien niet smetteloos maar ook niet bewezen gevaarlijk. De politie heeft hem nooit uitvoerig gehoord of gewaarschuwd. Te vermoeiend, misschien. De psychiater heeft zich nauwelijks in hem verdiept. Te druk wellicht. Wel is op grond van vluchtige contacten zijn ziektebeeld beschreven, nu eens “bel- en faxmanie”, dan weer “persoonlijkheidsstoornis” ook wel “paranoia”.

De tijd van de antipsychiatrie “geen gedwongen opsluiting en iedereen de straat op” is voorbij. Het was wel goedkoop. Het devies is nu: “niet praten maar pillen geven”. Dat is ook niet duur. Maar voor Henry en zijn buurtgenoten helpt een ferm gesprek, niet over ziektebeelden of kalmeermiddelen maar over gedrag waar iedereen zich op straffe van sancties aan heeft te houden. Ondertussen woedt de oorlog voort.

    • Maarten Huygen