Expositie over amusement in kamp Vught; Lachen in het donker

Expositie 'Lachen in het donker, amusement in kamp Westerbork en kamp Vught'. T/m 31 okt in het Nationaal Monument Kamp Vught, Lunettenlaan 600, Vught. Za/zo/ma 12-17u, di t/m vr 10-17u. Inl 073-6566764

Het was afgelopen zondag ontroerend toen de bijna 82-jarige trompettist Pieter Dolk de Vught-tune had gespeeld. Dat was voordat in het voormalige concentratiekamp Vught de tentoonstelling Lachen in het donker werd geopend. In het anderhalf jaar dat Dolk als jongeman in het kamp gevangen zat, bracht hij als lid van het kamporkest onder leiding van de dirigent van het NCRV-orkest Piet van den Hurk vóór en na de opening van het concert telkens dit wijsje ten gehore.

Nu deed de kleine man het weer, waarbij hij vooraf excuses vroeg voor eventuele misgrepen die er overigens niet waren. “De inzet van de kunst”, sprak hij andere gevangenen na van het Konzentrationslager Herzogenbusch (zo noemden de Duitsers het kamp), “hing samen met onze wil om te overleven.”

Is er grotere tegenstelling tussen amusement en een concentratiekamp? Toch was het er. Niet alleen in Vught, maar ook in Amersfoort of Westerbork, in Auschwitz, Buchenwald en Theresiënstad en het bleef niet bij musiceren alleen. Ook cabaret, schilderen, toneel, declamatie en sport werden beoefend. “In elk kamp”, zei de Amsterdamse publicist Theodore van Houten, die bij de opening van de tentoonstelling sprak, “waren mensen bezig de leegte van hun ziel te voeden.” Van Houten schrijft een boek over amusement in de concentratiekampen, inclusief die van de Japanners in het voormalige Nederlands-Indië.

De in samenwerking met het Herinneringscentrum Kamp Westerbork ingerichte tentoonstelling verhaalt over de intrieste tijd waarin niettemin toch wel eens wat te lachen viel. Er waren ook Duitse kampcommandanten die vormen van ontspanning toelieten om de rust te bewaren. Dat leidde in Westerbork tot een van die vele absurditeiten waarmee de weg van het Herrenvolk was geplaveid: elke avond na het vertrek van een trein naar een van de vernietingskampen werd door de gevangenen een cabaretvoorstelling gegeven.

“Onze ziel verlangt naar schoonheid, onze geest streeft naar vrijheid, ons noodlot is vergankelijkheid, ons wachtwoord is gelatenheid”, zo luidt een van de teksten bij de tentoonstelling. Het zijn de woorden van musicus en componist Marius Flothuis, die eveneens in het kamp in Vught gevangen heeft gezeten en die daar het stuk Aubade componeerde. Het werd zondag gespeeld door de jeugdige Mexicaanse fluitist Leonardo Bejarano.

Op de tentoonstelling is behalve veel foto's en vaak sierlijke programmaboekjes over de voorstellingen ook een exemplaar te zien van het met de pen geschreven kampblad 'Adam in ballingschap', dat in Westerbork werd uitgegeven. Er is ook een film van voetbalwedstrijden en van door de Amsterdamse bokser Bennie Bril in Westerbork gegeven bokslessen.

Maar de tekst die het meest aangrijpt is die in de permanente expositie van het Nationaal Kamp Vught. Daarin beschrijft een van de gevangenen, David Koker, in zijn dagboek hoe kinderen in het kamp die een matinee meemaakten halverwege door de SS naar buiten werden gedirigeerd en vervolgens twee uur op appèl moesten staan. “Toen ik die kinderen vanmiddag zag staan”, schrijft Koker, “op een bedorven feestdag waarmee ze zich zo blij hadden gemaakt, zag ik voor het eerst wat andere mensen al lang beweren te zien hoe ver wij gekomen zijn.”

    • Max Paumen