De ongewisse toekomst van het Amsterdamse marktwezen; De markt is er voor de rijken

Het gaat al enige tijd niet best met de Amsterdamse markten. Voor een bijzonder liflafje of een pittoresk uitje komen de klanten nog wel, maar voor de rest is de supermarkt gemakkelijker. Een enkele markt speelt op deze veranderde klantenwensen in en vaart er wel bij.

De juffrouw. Zo noemt de marktkoopman zijn klant. Maar op de markt komt de juffrouw steeds minder. Waarom zou ze ook? Ze komt laat van haar werk en moet haar kind nog van de crèche halen. Tijd voor gezellige praatjes heeft ze niet. Het is snel boodschappen doen, liefst kant-en-klare producten die zo de pan in kunnen. Als het regent is de keuze helemaal snel gemaakt. Het liefst gaat ze trouwens met de auto naar een winkelcentrum met een groot parkeerterrein. De juffrouw weet ook wel dat haar gulden op de markt allang geen daalder meer waard is.

Is de markt nog wel van deze tijd? Eigenaar van een bloemenstal en secretaris van de Centrale Vereniging van de Ambulante Handel Jan Pestman krimpt ineen. “Hoor eens vrouwtje. Ver voordat Jezus Christus werd geboren, was de markt er al. De markt is van alle tijden.” Het is pas sinds de razendsnelle ontwikkeling van de winkelcentra zo'n vijftien jaar geleden, zegt hij, dat de klad er in gekomen is.

Zoveel is zeker. In Amsterdam niet anders dan elders. Maar Amsterdam is van oudsher een marktstad. Met dertien dagmarkten en evenzoveel weekmarkten heeft de stad bijna twee keer zoveel marktdagen als Den Haag, Rotterdam en Utrecht samen. Dus is de malaise hier duidelijker merkbaar en zijn er meer mopperende kooplieden. Uit de bezettingsgraad van de markten valt het niet af te lezen, maar de kooplui op de markt zijn vrijwel eensluidend in hun conclusie: de omzetten van de markten kelderen.

In moeilijke tijden grijpen kooplieden naar de makkelijkste handel: textiel. Dat is tenminste niet aan bederf onderhevig en hoeft niet voor dag en dauw op de veiling gehaald te worden. Op de Albert Cuyp en de Dappermarkt overheersen de T-shirts en het ondergoed.

Veel kooplui zijn inmiddels ook “op zoek naar een baas of nemen er een baas bij”, zoals een koopman op de Dappermarkt het uitdrukt. De dienst marktwezen had nog even zijn hoop gevestigd op de allochtone jongeren in de stad. Zij komen uit een cultuur met een levendige straathandel. Maar waarom zouden ze die hier niet voortzetten? “Ze vullen liever vakken bij de Albert Heijn dan dat ze op de markt staan te blauwbekken”, zegt Thedinga. Uitgezonderd hindoestanen met stoffen en creolen met hapjes en schaafijs.

Ook de opvolging neemt af. Er is bijna geen jong beginnend ondernemer meer die het marktvak in wil. Directeur Thedinga kan ze geen ongelijk geven. Een koopman groente en fruit moet om zes uur naar de veiling om in te kopen, dan moet hij zich naar de markt haasten om mee te loten voor een plaats. Als hij een plaats krijgt toebedeeld moet hij uitladen en zijn auto wegbrengen en er intussen voor zorgen dat zijn kraam bewaakt achterblijft. Vervolgens komt hij terug om 'los te komen'. Aan het einde van de dag werkt hij alles weer in omgekeerde volgorde af. 's Avonds thuis moet hij de administratie doen. En dan heeft hij ook nog eens te maken met klanten - de directeur spreekt van klanten in plaats van juffrouwen - die ontzettend mondig zijn. Ze slaan de marktkoopman met prijzen om de oren.

“Kost die?”

“Twee vijfenzeventig de bos.”

“Phoe.”

“Jaja, nieuwe zomerbietjes.”

“Nou, d'r zitten anders maar kleintjes

aan.'' Over de oorzaken van de malaise zijn gemeente en kooplieden het wel eens: het veranderde consumentengedrag, de 24-uurseconomie en de slechte bereikbaarheid van de markten als gevolg van parkeerproblemen. Dat de markt altijd blijft bestaan, lijdt ook geen twijfel. Maar hoe zal het er in de toekomst uitzien? Daar begint het verschil van mening.

Zaterdagochtend. Een accordeonist speelt aan de voet van de Noorderkerk op de Prinsengracht. Ecologisch vlees en schapevachtjes. Karnemelk van de geit. Biologische brandnetel-boerenkaas. Verse lavendel. Humus. En Shiitake-champignons en cantharellen. Dit is de boerenmarkt. Het beeld van de toekomst. Directeur Thedinga van Marktwezen doet er niet ingewikkeld over. De algemene warenmarkten zoals de Albert Cuyp en de Dappermarkt zullen uiteindelijk in de huidige vorm uit het straatbeeld verdwijnen. Het zijn de gespecialiseerde markten, markten met 'een thema', die zullen overleven. De markten die het nu in Amsterdam goed doen zijn deze boerenmarkt op de Noordermarkt, de boekenmarkt op 't Spui en de bloemen- en plantenmarkt op het Amstelveld. Een algemene warenmarkt als die op de Lindengracht - op een steenworp afstand van de Noordermarkt - heeft ook nog wel toekomst, meent Thedinga, maar heeft dat voornamelijk aan haar ligging te danken. “Midden in de Jordaan waar rijke bewoners met plezier twintig gulden neertellen voor speciale champignons uit de Oeral. Een leuke kroeg en terrassen in de buurt. Een ideale markt om na het uitslapen met gasten uit het buitenland overheen te sjouwen.” Om echt succesvol te worden zal de markt zich volgens Thedinga alleen nog meer moeten toeleggen op bijzonder eten.

Maar dan kom je meteen bij het volgende probleem. De Keuringsdienst van waren legt steeds strengere eisen op aan de manier waarop het eten vervoerd, bewaard en uitgestald moet worden. Dat betekent dat sommige handelaars zich genoodzaakt zien om 'eigen materieel' aan te schaffen, marktjargon voor een kraam op wielen. Maar ja, een wagen is geen kraampje. En het publiek wil wel kraampjes, weet Thedinga.

En soms zijn de regels van de Keuringsdienst van waren in strijd met de regels van de markt. Neem bijvoorbeeld de 'kraam' van Steur's vis op de Albert Cuyp. Vier jaar geleden schafte de familie uit Volendam de wagen aan. Kosten: tussen de twee en drie ton. De tropische baarzen en de grote haai liggen nu op ijs in gekoelde vitrines, de vooraad ligt eveneens in een koelwagen. Alleen geldt op de Cuyp een regel dat de achterkant van de kraam doorzichtig moet zijn om zicht op de achterliggende winkels te bieden. De koelwagen van Steur's vis breekt met die regel. En steeds meer kooplieden zullen overstappen op een eigen wagen. Als ze ten minste van de gemeente de garantie krijgen dat ze een vaste plek kunnen behouden. Het vergunningensysteem voor marktplaatsen in Amsterdam steekt nu zo in elkaar dat bijvoorbeeld een vader zijn plaats niet zomaar kan overdragen aan zoon of dochter.

Nog iets voor de toekomst. 'Vandaag alle tassen een tientje', klinkt het op een dinsdagmiddag op de Dappermarkt. De doorsnee marktkoopman gooit alleen zijn eigen producten in de reclame. 'Promotie is een punt van aandacht waarmee de markten versterkt kunnen worden', zo stond het in een rapport van de dienst marktwezen begin dit jaar. “Een marktkoopman”, zegt Thedinga, “is a priori oerconservatief. Een koopman kijkt niet verder dan vandaag. Ik chargeer natuurlijk, maar het is buitengewoon moeilijk ze te bewegen gezamenlijk te vechten voor een goede markt.” Thedinga wil dat iedere markt een centrale marktcommissie krijgt “om de markt als optimaal product aan de klant te kunnen aanbieden”. Dat komt dus niet van de grond. Een koopman op de Albert Cuyp kan dat beamen. “Ach hoe gaat dat? Twee van de drie hier is nooit op school geweest. En als er eens een bijeenkomst is, is de helft dronken. Dat schiet niet op.”

De Boerenmarkt is een van de weinige Amsterdamse markten met een eigen marktvereniging. “Het loopt hier als een speer”, zegt H. Meijerink van Kruidenkwekerij Arrin. “Op ander markten slachten ze elkaar af, maar wij zijn een grote familie.” Per jaar besteden de marktkooplieden van de Boerenmarkt gezamenlijk tienduizend gulden aan reclame, onder meer spotjes op Radio Noord-Holland. Op de markt is verder altijd een chansonnier of een verteller aanwezig. En om de mensen in de buitenwijken te interesseren voor hun markt, organiseren ze nu ook lunchconcerten in de Noorderkerk. “Wij profileren ons op het duurdere segment”, zegt de kruidenkweker.

Zo zou het moeten. Althans volgens de directeur van het Marktwezen. Hij hanteert een hard principe: de markt moet zichzelf bedruipen. Intussen windt Jan Pestman van de belangenvereniging zich in zijn kantoor op over de gemeente. “De markten zijn een belangrijke toegevoegde waarde voor de stad. De markt trekt toeristen. Stop daar dan ook wat geld in. Bovendien: wie is er verantwoordelijk voor het parkeerbeleid?” Duidelijk. Er moet geld op tafel komen. Maar wat doet de gemeente? “De huurprijzen omhoog gooien.”

De gemeente is in dit geval de deelraad. Sinds 1994 is het beheer van de markten ondergebracht bij de deelraden. Voor die tijd had je één roulerende marktmeester en één administratiesysteem. Nu heb je alles in zestienvoud. Dat moet ook terugverdiend worden. In de klaagzang van de koopman neemt de deelraad een prominente plaats in. Bijvoorbeeld in die van een handelaar in ondergoed op de Dappermarkt: “Wat de overheid in benzine ziet, ziet de deelraad in de markten: een melkkoe.”

Pestman wil graag met zijn tijd mee. Hij wil bijvoorbeeld best collectieve reclameacties. Hij ziet het zelfs al helemaal voor zich. Spotjes op radio en tv: maandag de groenten in de aanbieding, dinsdag de bloemen, woensdag de spijkerbroeken, ga zo maar door. Maar een miljoen gulden voor een goede campagne is voor de koopman te duur. Daar zal de deelraad dus bij moeten helpen.De marktkoopman op zijn beurt moet beter inspelen op het veranderde koopgedrag. Daar ligt volgens Pestman de oplossing. “Ik ben ervan overtuigd dat de markten razendsnel op de nieuwe ontwikkelingen zullen inspelen. Ze zullen sterker terugkomen dan ooit.” Dan moeten de markten alleen wel een gevarieerder aanbod gaan bieden dan nu het geval is. En de markt zou bijvoorbeeld langer moeten openblijven.

“Schei toch uit”, zegt een groentenverkoper op de Albert Cuyp. “Ik sta 's ochtends om kwart over vijf op en ben om half zes thuis. Nog langer werken? Dan ga ik iets anders zoeken.” En de verkoper van Van Willigen Beenmode zegt vanachter stapels sokken: “Hier winkelt geen Albert-Heijnpubliek. De mensen die naar de markt komen, zijn niet de mensen die werken.”

De markt zal sterker terugkomen dan ooit. Pestman blijft het herhalen. De lach en de traan - waar vind je die nou? “Feessie gehad vrouwtje”, vraagt een sieradenverkoper op de Dappermarkt als hij de met henna versierde hand van een Marokkaanse vrouw opmerkt. Of neem de bloemenstal van Pestman zelf. “Iemand wiens man of vrouw is overleden, of die een kind heeft verloren. Het klinkt misschien gek, maar een paar minuten aandacht en dan kan zo'n man of vrouw de dag weer aan.”

En als meer kooplieden de kraam verruilen voor een eigen wagen dan kunnen zij hun waren nog aantrekkelijker uitstallen en nog meer kwaliteit bieden. Want waar vind je nog die persoonlijke bediening? Hoe lang moet die baars gebakken? Wat kan ik nog meer met broccoli? Kom daar in de supermarkt maar eens om.

De markt op het Gulden Winckelplantsoen in stadsdeel Bos en Lommer is al teruggekomen. Jarenlang was de markt noodlijdend, maar nu richt ze zich op een nieuwe juffrouw uit de buurt: de Marokkaanse moeder die een groot gezin bestiert. “Die wil niet vijf kilo aardappelen, die wil een mud aardappelen”, zegt Pestman. “En geen pond tomaten, maar een krat tomaten. Dat waren wij alweer ontwend.” Ook niet onbelangrijk: bij de markt is een groot parkeerterrein.

    • Monique Snoeijen