Colijn en de koloniale oorlog

Hendrikus Colijn, directeur van de Koninklijke en veelvuldig minister-president in de jaren dertig, is zijn langdurige en succesvolle carrière in politiek en zaken begonnen als koloniaal militair.

Dat is enigszins verrassend, want het koloniale leger was nu niet direct de plaats waar zulke carrières doorgaans plachten te beginnen. Dit leger bood in de tijd van Colijn echter wel kansen op roem en eer. Colijn diende namelijk tijdens de hoogtijjaren van wat toen de 'pacificatie' van Nederlands-Indië werd genoemd, dat wil zeggen de tijd waarin het Nederlandse koloniale gezag in Indonesië, dat lange tijd voor een belangrijk deel alleen maar op papier had bestaan, daadwerkelijk werd gevestigd. Ook veel andere Europese landen vestigden in deze jaren hun macht overzee of breidden deze uit. Die gezagsvestiging ging vaak gepaard met geweld, soms met veel geweld. Vandaar dat wij uit deze tijd heel wat koloniale oorlogen kennen. De Atjeh-oorlog, die vele duizenden en volgens sommige berekeningen zelfs honderdduizend doden en een half miljoen gewonden heeft gekost, is hiervan, wat Nederland betreft, het bekendste voorbeeld. De Lombok-expeditie, die in diezelfde tijd plaatsvond, om precies te zijn in 1894, en waaraan Colijn deelnam, is nauwelijks minder bekend. De Lombok-expeditie was een strafexpeditie, die werd ondernomen als wraakoefening voor wat als een 'verraderlijke' overval op een Nederlands militair kampement werd gezien. Over het begrip verraad valt te twisten, maar de overval was in ieder geval bloedig genoeg, want er vielen onder de Nederlandse troepenmacht bijna honderd doden en driehonderd gewonden. Dit riep om wraak en die kwam dan ook in de vorm van een strafexpeditie tegen de Balinese heersers over Lombok. Het Nederlandse koloniale leger veroverde de Balinese sterkten, haalde de Balinese schatkamer leeg en bracht zo'n tweeduizend Balinezen, onder wie niet alleen mannen maar ook, deels meevechtende, vrouwen en kinderen om het leven. Dit succes werd in Nederland met groot enthousiasme gevierd: de eer was gered, het verraad gewroken, Lombok onderworpen en de bewoners van Lombok waren bevrijd van een tiranniek vorstenhuis. Zo zag men het toen.

Colijn is als jong luitenant - hij was vijfentwintig jaar oud en net getrouwd - bij deze krijgshandelingen betrokken geweest. Dat weten wij uit twee brieven die hij hierover aan zijn vrouw en zijn ouders heeft geschreven. Het ene verslag verschilt iets van het andere. In de brief aan zijn vrouw van 24 november 1894 schreef hij: 'We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb negen vrouwen en drie kinderen, die genade vroegen op één hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar 't kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. 't Was een verschrikkelijk werk. Ik zal er maar over eindigen.' In een latere, maar uitvoeriger, brief aan zijn ouders van 17 december schreef hij: 'Na den achtsten aanval bleven nog eenige weinigen over, die genade vroegen, ik geloof dertien. De soldaten keken mij vragend aan. Een dertig-tal mijner manschappen was dood of gewond. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Eenige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide waren ook die dertien dood.' De beide verslagen wijken dus op enkele punten iets van elkaar af en er schuilt ook een zekere onduidelijkheid in het eerste verslag (wat gebeurde er nu precies: schieten of aan bajonetten rijgen?), maar het is duidelijk dat Colijn persoonlijk bij het doden of laten doden van vrouwen en kinderen betrokken was. Het is curieus te bedenken dat, naar het lijkt, Colijns brieven de enige bron voor deze betrokkenheid zijn. Dit doet enigszins denken aan Richard Nixon, die zijn eigen ondergang onafwendbaar maakte doordat hij alle gesprekken in zijn werkkamer op de band liet opnemen. Beiden werden voor hun hang naar documentatie gestraft: Nixon moest aftreden en Colijn raakt nu waarschijnlijk de naar hem genoemde straat in Woudrichem kwijt.

Het is overigens opvallend dat Colijn geen moment heeft overwogen dat hij iets had gedaan of toegelaten, dat verwerpelijk was en geheim moest blijven. Integendeel, hij schreef onder de brief aan zijn ouders: 'Laat dezen s.v.p. ook aan anderen lezen'. Het is volstrekt duidelijk hoe hij zelf deze gebeurtenissen zag: 'onaangenaam', ja 'verschrikkelijk werk', 'maar 't kon niet anders.' In de oorlog, schreef hij, zwijgt alles 'voor de ijzeren wet der noodzakelijkheid.' Dit lijkt veel op wat een tijdgenoot al direct na het 'verraad' van de Balinezen had geschreven: 'wraak moet de leus zijn - christelijkheid houdt in den oorlog op.'

Colijns persoonlijke betrokkenheid bij deze gebeurtenissen is nieuw en heeft veel aandacht gekregen, wat gezien zijn latere carrière en zijn groot gezag met name onder zijn geloofs- en partijgenoten ook alleszins begrijpelijk is. De Lombok-expeditie en de daarbij gebruikte methoden daarentegen zijn geen nieuws. H.W. van den Doel heeft er bijvoorbeeld uitvoerige aandacht aan besteed in zijn populaire boek Het rijk van Insulinde uit 1996, waarin hij ook vermeldt dat hierbij zo'n 2000 Balinezen om het leven werden gebracht. Een andere Leidse historicus, Martin Bossenbroek, heeft in een andere recente publicatie de excessen (het verbranden van huizen met de mensen er nog in, het vermoorden van vrouwen en kinderen) uitvoerig beschreven.

Over de koloniale oorlogen in het algemeen is ook veel geschreven. Evenals de tijdgenoten laten ook de hedendaagse auteurs geen misverstand bestaan over de vraag hoe het er hier toeging. De bekendste auteur uit die tijd zelf was de Engelse kolonel Callwell, die in zijn boek Small Wars uit 1899 onder andere schreef dat men zo nodig zijn toevlucht moest nemen tot het stelen van vee en het verbranden van dorpen, hoewel dit 'may shock the humanitarian.'

Er namen echter niet veel 'humanitarians' aan deze activiteiten deel en de betrokkenen zelf zagen het anders. In de slag bij Omdurman van 1898 wisten de Engels-Egyptische troepen onder leiding van generaal Kitchener, die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Engeland minister van Oorlog zou worden, met hun machinegeweren elfduizend tegenstanders te doden en zestienduizend te verwonden, van welke laatsten de meesten later overigens ook werden afgemaakt. Zelf telden zij 48 doden en 382 gewonden. Kitchener constateerde tevreden dat 'the enemy had been given a good dusting' en Winston Churchill, Engelands premier tijdens de Tweede Wereldoorlog, die de expeditie meemaakte, sprak van 'the most signal triumph ever gained by the arms of science over barbarians'. Koningin Victoria ten slotte constateerde met tevredenheid dat de dood van de Engelse generaal Gordon hiermee op passende wijze was gewroken.

Colijn, die het later ook tot minister van Oorlog en premier zou brengen, was even laconiek over zijn belevenissen als deze tijdgenoten dat waren. Hij eindigde de brief aan zijn vrouw over het 'verschrikkelijke werk' met de mededeling: 'Mijn buik is weer beter.'