Om het primaat

DAT STOERE TAAL ook contraproductief kan werken, ervaart voorzitter Blankert van de werkgeversvereniging VNO-NCW momenteel. “Wij schrijven het regeerakkoord”, riep hij uit bij de presentatie van het akkoord tussen de organisaties van werkgevers en werknemers over de toekomstige uitvoering van de sociale zekerheid.

Met die woorden raakte hij de politici van de drie paarse partijen die onderhandelen over een nieuw regeerprogramma in het hart. Per kerende post hebben de socialezekerheidsdeskundigen van PvdA, VVD en D66 laten weten niets te zien in het akkoord van de sociale partners. Een doorbraak in vastgeroest denken is hierdoor voorlopig van de baan.

De discussie over nieuwe aanpassingen van het sociaal stelsel lijkt op het eerste gezicht pure uitvoeringstechniek te betreffen. En het draait ook om uitvoering, maar juist omdat er een historisch beladen principieel debat aan ten grondslag ligt gaat het om meer. In de kern van de zaak is de vraag aan de orde wie het uiteindelijk voor het zeggen heeft in de sociale zekerheid: de overheid of de vertegenwoordigers van de georganiseerde werkgevers en werknemers. Bij een dergelijk debat zijn egelstellingen al gauw betrokken en dat is jammer, want het dient te gaan om het doel. OVER DAT DOEL zijn alle betrokkenen het eens: het socialezekerheidsstelsel moet naast zijn functie van inkomensbescherming bijdragen aan reïntegratie van mensen die buiten het arbeidsproces zijn komen te staan. Aan dat laatste ontbreekt het, ondanks alle wetswijzigingen van de afgelopen jaren, nog steeds. Het beroep op de sociale uitkeringen is weliswaar afgenomen, maar dit is vooral te danken aan de economische groei waardoor minder mensen in de werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsregelingen terecht zijn gekomen.

De resultaten met betrekking tot het weer aan het werk helpen van bestaande werklozen en arbeidsongeschikten zijn daarentegen teleurstellend. Sterker nog: het gewijzigde stelsel blijkt in een aantal gevallen mensen juist buiten het arbeidsproces te houden. Een voorbeeld is de deels geprivatiseerde Ziektewet, waarvoor de directe verantwoordelijkheid meer bij de betrokken werkgever is komen te liggen. Het neveneffect van deze op zichzelf logische aanpassing is dat de toetredingsdrempel voor mensen bij wie maar enige twijfel bestaat over de gezondheidstoestand hoger is komen te liggen.

Terecht heeft het kabinet dan ook besloten opnieuw naar de organisatie van het socialezekerheidsstelsel te kijken. Het aanpassingsvermogen van de uitkeringsorganisaties blijkt immers nog steeds gering. Om de termen van staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) te gebruiken: de uitvoeringsinstellingen moeten minder uitkeringsfabrieken worden en zich meer richten op het weer aan het werk helpen van uitkeringsgerechtigden. EEN SYSTEEM VAN concurrentie kan hieraan bijdragen. Ook hierover zijn alle partijen, werkgevers, werknemers en kabinet, het trouwens eens. De vraag is alleen waar de betrokkenheid van de markt ophoudt en de overheid als hoeder van het algemeen belang het alleen voor het zeggen krijgt.

In de plannen van het (nu demissionaire) kabinet is sprake van een duidelijke afbakening tussen aan de ene kant de beoordeling van het recht op een uitkering wat een publieke taak zou moeten blijven en aan de andere kant de uitvoering die aan marktpartijen kan worden overgelaten. Dit onderscheid is helder, maar miskent de feitelijke praktische uitwerking. Een uitkeringsgerechtigde krijgt op deze manier met ten minste twee instanties te maken, terwijl het reïntegratiestreven juist is gebaat bij zo min mogelijk administratief-bureaucratische chicanes.

Daar komt nog bij dat er wel degelijk een verband is tussen beoordeling en uitvoering. In de sociale zekerheid is sprake van een grote geldstroom, die de uitkeringsbedragen omvat, en een kleine geldstroom waarmee zaken als reïntegratie, preventie en controle zijn gemoeid. De kleine geldstroom kan worden beschouwd als het instrument om de grote geldstroom te beïnvloeden. Of, zoals vier sociale zekerheidsdeskundigen het afgelopen week in een artikel in het economenvakblad ESB het uitdrukten: “Bij voldoende concurrentie zal de verzekeraar doorgaan met investeren in de uitvoering zolang een extra gulden in de kleine geldstroom meer dan een gulden reductie van de grote geldstroom oplevert.” WAAR HET OM gaat is te voorkomen dat de geprivatiseerde uitvoerders straks aan risicoselectie gaan doen. Om die reden is het van belang dat de vraag over het recht op een uitkering, ofwel de beoordeling of wordt voldaan aan de wetteljke criteria, blijft voorbehouden aan een overheidsinstantie. Hoewel het verbale geweld van de afgelopen dagen soms anders doet vermoeden, wordt dat recht overigens ook niet bestreden door de sociale partners. De discussie concentreert zich op het overhevelen van de overige taken uit het publieke deel zoals bijvoorbeeld de reïntegratie-activiteiten naar de geprivatiseerde uitvoeringsorganen.

De angst dat sociale partners als gevolg van deze onderverdeling 'op de loop gaan' met de sociale zekerheid is dan ook ongegrond. Het vaststellen van de contouren blijft voorbehouden aan de overheid, waarna de uitvoering in handen wordt gelegd bij instanties die het dichtst bij de praktijk staan. NATUURLIJK SPEELT het WAO-trauma in de huidige discussie een rol. Werkgevers en werknemers hebben toen een socialezekerheidsregeling gezamenlijk laten verworden. Maar niet mag worden vergeten dat de politiek dit heeft zien gebeuren en pas in een veel te laat stadium heeft ingegrepen. Waar nu behoefte aan is, is een sociaalzekerheidsstelsel dat mensen weer aan het werk helpt. Daarbij hoort een werkbare uitvoeringsorganisatie en geen door prestiges gevoede semantische discussie. Het nu door sociale partners bedachte systeem is hiervoor een aanzienlijk grotere garantie dan het van de Haagse tekentafel afkomstige model.