'Karikaturen zijn niet per se verkeerd'; Tenor Graham Clark over zijn rol van Mime in de opera 'Siegfried'

De Nederlandse Opera heeft te kampen met tegenslag. Heinz Kruse, titelheld in Wagners opera Siegfried, kreeg een blessure vlak na het verslaan van de draak. Gelukkig is er Graham Clark. Zijn Mime, Siegfrieds giftige tegenspeler, is een van de populairste figuren van de Amsterdamse 'Ring'.

Voorstellingen van 'Siegfried' nog op 17, 21, 25 en 29 juni; première van het laatste deel van de 'Ring', 'Götterdämmerung', op 8 sept; een complete , cyclische opvoering van de 'Ring' volgt in de zomer van 1999. Inl (020) 551 89 22.

AMSTERDAM, 17 JUNI. Tachtig minuten lang trekt hij de aandacht in Siegfried: Graham Clark is een onweerstaanbare Mime. Wat deze Britse tenor, hoewel klein van stuk, tot zo'n opvallende podiumpersoonlijkheid maakt is de combinatie van energie en precisie. Mime heeft geen rust in zijn donder; het is een opgejaagde dwerg, heen en weer schietend tussen angst en euforie. Clark nu, gaan zulke stemmingswisselingen zo te zien heel gemakkelijk af, terwijl hij, ook in jubelmomenten, toch steeds de spanning vasthoudt waaronder Mime lijdt.

In een kostuum dat hem het aanzien geeft van een vette, prehistorische tor buitelt Graham Clark over de bühne; rare sprongen maakt hij en zijn handjes graaien hebgraag door de lucht. Net als voor de meeste andere personages in Richard Wagners opera-vierluik Der Ring des Nibelungen is hebzucht voor Mime een belangrijke drijfveer: hebzucht en het verlangen naar macht. Wie de Ring in zijn bezit krijgt, krijgt de macht erbij - maar de Ring wordt bewaakt door een draak en alleen met behulp van een list kan Mime die draak verslaan. Hij spant Siegfried, zijn wilde en oersterke pleegzoon, voor zijn karretje. Mime is van plan om Siegfried, zodra die de draak heeft gedood, een giftig brouwsel te drinken te geven, waarna het voor de moordenaar een koud kunstje zal zijn om de kostbare Ring te pakken. Maar het loopt allemaal ietsje anders. Halverwege Siegfried, deel drie van de tetralogie, liquideert de titelheld (wordt: de Deense tenor Stig Andersen, was: Heinz Kruse, nu geblesseerd) de dwerg - en daarmee is Mime voorgoed uit het libretto verdwenen.

Clark heeft in de complete Ring dus geen dragende rol: behalve in Siegfried verschijnt zijn Mime alleen, heel even, in het openingsdeel. Maar zwaar is zijn partij evengoed. “Ik zweet wat af in dat dikke flubberkostuum”, zegt de zanger, die er in zijn gewone kledij bijna mager uitziet. Hij kijkt alert om zich heen, praat snel en dwingend en laat zich alleen in de rede vallen door de intercom die ook de catacomben van de Nederlandse Opera bereikt. Zijn kleedkamer daar is leeg: hett kostuum is naar de wasserij en de potten witte schmink zijn netjes opgeborgen. “Met Mime”, meent Graham Clark, “kan ik een paar dingen van deze tijd heel duidelijk laten zien: de vreselijke drang naar bezit en de al even verschrikkelijke drang om een positie te verwerven die niet bij jou past. De ambitie die alles vernietigt. Bij Mime spelen die dingen zich af op een akelig laag niveau. Mime is kleingeestig, verbitterd en niet al te intelligent. Hij slaagt er maar niet in dat zwaard te smeden en weet niks slimmers te bedenken dan het maken van die vergiftigde soep!”

Op de rand van het voortoneel bereidt Mime dat brouwsel; als hij wil kan hij er rij één zo een lepel van geven. “Wat me vooral aan Pierre Audi's enscenering bevalt”, zegt Clark, “is dat het podium doorloopt tot vlak voor het publiek. Daardoor kun je veel meer energie overbrengen dan met een orkest tussen jou en het publiek in. After all bestaat het grootste deel van een Wagner-opera uit conversatie, uit dialogen: net zo goed met degene tegenover jou op de bühne als met de mensen in de zaal.” Grijnzend, de vingers bedrijvig gekromd, gaat Mime in de soepbereidingsscène aan de slag met pannetjes, kolven en flessen. Vooral in deze scène slaat Clark een karikaturale toets aan.

Opgewonden repliceert Clark: “In het theater zijn karikaturen niet per se verkeerd. Ik heb zelfs eens een van de goden uit de Ring gespeeld in de stijl van Charlie Chaplin. De karikatuur is een effectieve manier om de domheid en de waanzin van mensen te tonen.” De domheid, die van de mannen met name, lijkt Graham Clark steeds weer te inspireren. Ook de heren die hij in Alban Bergs opera's Wozzeck en Lulu neerzette waren 'verdomd': de Hauptmann in Wozzeck door zijn kortzichtige burgermansmoraal en de Maler in Lulu door zijn ontzaglijke manipuleerbaarheid. Het zijn doorgaans grimmige voorstellingen waaraan Clark zijn medewerking verleent, voorstellingen vol onbehagen maar ook vol begrip voor de verliezers. “Mime is een verliezer, de Maler is een verliezer, alle personages in Der Ring en in Lulu zijn verliezers.”

Dat de ongezellige sfeer in zulke voorstellingen bij sommige operagangers irritatie oproept juicht hij toe: “Irritatie wijst erop dat conventies worden losgewrikt, dat men gaat nadenken.” Opera wordt volgens hem nog te veel geassocieerd met romantiek en zoetgevooisde tenoren. “Maar zoetige interpretaties zijn helemaal niet interessant. Zoals ook de tenorpartijen in Italiaanse opera's zelden opwindend zijn. Kun je je iets duffers voorstellen dan to have a drink met Don Ottavio uit Don Giovanni?' Ook vanwege zijn eerder scherpe dan schattige stem heeft Clark meer op met het Noord-Europese operarepertoire. Ritme vindt hij belangrijk; om dat precíes te krijgen, daar werkt hij keihard aan. “Het ritme van Mimes gehamer als hij het zwaard tracht te smeden is dat van het woord 'Amsterdám': zó verbeten... Zelfs wanneer ik een afschuwelijke ironie in mijn stem leg probeer ik het ritme en de intensiteit van de muziek te handhaven.”

Clarks talent voor ritmisch en opvallend fysiek spel heeft beslist te maken met zijn verleden als sportleraar. “De positie van je lichaam”, zegt hij, “is even essentieel als de positie van je stem. Alleen al de manier waarop je een arm buigt drukt een wereld van emoties uit. Opera is niet alleen zingen en acteren, opera is ook niet-zingen en acteren. Muziek ontstaat vanuit stilte en acteren ontstaat vanuit niets anders dan aanwezig zijn.”

Graham Clark, nu 56, werd ontdekt door Joan Sutherland toen hij als amateur in het koor van een Bellinii-opera meezong die Sutherlands echtgenoot Richard Bonynge dirigeerde. Optredens bij de English National Opera en de Met in New York volgden. Clark noemt het een voordeel dat hij als hobbyist en laatbloeier (bij zijn eerste professionele optreden was hij vijfendertig) het operabedrijf binnenrolde; daardoor kijkt hij ontspannener tegen het vak aan dan zangers die al op hun achttiende werden gedrild voor een prachtcarrière.

Zijn zegeningen wil hij met jonge zangers delen: “Ik leer ze risico's te nemen en plezier in hun werk te hebben. The joy and the thrill: dat zijn de dingen die er in het leven werkelijk toe doen.”

    • Anneriek de Jong