Dichter uit Kazachstan knort, sist, suist en bromt; Klankpoëzie op Poetry International

ROTTERDAM, 17 JUNI. Poëzie op papier is niet compleet. Gedichten horen voorgedragen te worden; de menselijke stem blaast de woorden leven in. Dat voordracht een extra dimensie aan passieve letters en leestekens toevoegt werd gisteren op de vierde avond van het Poetry International Festival weer eens bewezen.

Vanavond in de grote zaal van de Rotterdamse schouwburg, aanvang 20 uur: Internationaal Programma met Rutger Kopland, Louise Wondel, Gro Dahle en Anna Enquist. Om 21.30 uur: Mexicaans programma met José Emilio Pachero, Jorge Esquinca en hommage aan Octavia Paz.

“Een kier, een mond/ om in te vallen en in de mond/ een geluid”, benadrukte de Zweedse Eva Runefelt (1953) het fysieke aspect van taal. Met sobere stem en precieze articulatie bracht ze haar ritmisch muzikale gedichten, die wonderwel overeind bleven in vertaling. De Vlaamse tongval van vertaalster Lisette Keustermans hield de intonatie en intogen zangerigheid van het orgineel intact.

De Nederlandse dichter Tonnus Oosterhoff (1953) deed een stap verder in de richting van de muziek. Voorafgaand aan een naamloos gedicht zong hij de eerste regels van psalm 138 voor. Met deze melodie in gedachten ging het met licht raspende stem voorgedragen werk een eigen leven leiden. De corpulente Australiër Les Murray (1938) gaf in zijn odes aan vetzuchtigen, Harley Davidson-motoren en slabonen op een veel directere manier uiting aan het lichamelijke aspect van poëzie. Een stortvloed aan Australisch getinte klanken werd over het publiek uitgestort. Diep gezucht en gesnuif gaven de maat van de voordracht aan.

Na de pauze werden de grenzen tussen woord, geluid en muziek pas echt rigoureus verkend. In het programma 'Klankrijke kelen' werd een internationale verzameling klankdichters aan het woord gelaten. Bij sommigen was inderdaad nog sprake van het gebruik van conventionele woorden. De Fransman Bernard Heidsieck (1928) hield vijf 'gemankeerde' dialogen met bekende historische dichters. Zijn vragen en opmerkingen gericht aan dichter William Carlos Williams, reiziger en schrijver Paul Morand, beatnik Brion Gysin, toneelschrijver Bertolt Brecht en oorlogsdichter Giuseppe Ungaretti werden enkel beantwoord door de op band opgenomen ademhaling van de overleden grootheden. Helaas weigerde de band dienst na de eerste dialoog en moest Heidsieck, furieus de zaal inblikkend en met trillende handen, zijn dialogen zonder enige vorm van respons afmaken.

Het werk van de Canadees Paul Dutton (1953) bewoog zich tussen verstaanbaar Engels en pure klank. In het gedicht 'Pois(s)on' 'verklankte' hij achtereenvolgens een naar lucht happende vis, een zoemende bij, een drilboor, een Mongoolse keelzanger en het gesis van een open gaskraan. Een soortgelijk akoestisch palet gebruikte de oorspronkelijk uit Kazachstan afkomstige Valeri Scherstjanoi (1950). Oprispingen, gegorgel en betekenisloze theatrale kreten werden vergezeld door geknor, gesis, gesuis, geknars, gepiep en gebrom. Valeri's ontdekkingstocht op het gebied van fonetische poëzie levert een nieuwe taal op. Het zelf uitgevonden schrift waarin hij zijn werk weergeeft is een vorm van visuele dichtkunst die bestaat uit kronkels, slierten, geometrische figuren en fantasieletters.

De slotact van de avond, het Australische collectief Machine for Making Sense onder leiding van Amanda Stewart (1959), wist uiteindelijk de grootste continuïteit tussen woorden, muziek en liederen tot stand te brengen. Ondersteund door draailier, blaasinstrumenten en elektronica, verkende Stewart door middel van een groot aantal stemtechnieken de grenzen van de vocale expressie. Woorden, klanken en muziek versmolten tot een nieuw geheel: 'm m m m/ m m m/ m m m/ mamamamameer st st st st st/ stastastasta st ik st ik m st ik/ stmikmim iksta ikstm stik stik ikiksta.'

    • Edo Dijksterhuis