Dicht is dicht!

Ik ben nog geen vijf meter de treincoupé ingelopen of de trein zet zich in beweging. Wat gaat zo'n trein toch gauw hard! denk ik. Maar voor ik zit hoor ik boven het aanzwellende gedender van de wielen nog een ander geluid. Menselijk gebrul, gejammer - nee, nauwelijks menselijk. Een hond?

Ik draai me om en zie mensen naar de treindeuren kijken en sommigen ook lopen. Boven het panische gebrul uit hoor ik iemand iets gillen over de noodrem.

Zonder precies te weten waarvoor, doe ik wat ik altijd al heb willen doen - ik trek uit alle macht aan het hengsel boven mijn hoofd. Langzaam schokt die zo voortvarend begonnen trein tot stilstand. De schrik komt met terugwerkende kracht. Maar nu ik deel uitmaak van het drama vind ik dat ik recht heb op meer informatie. Bazig laat ik me naar de plek des onheils zuigen, net als een hoop andere passagiers. Daar staat een man, type mediterrane intellectueel, die zijn handen tussen de deuren uit probeert te trekken. Het duurt zelfs nu nog even voor ik inzie dat hij het is die het dierlijke geluid voortbrengt. In een poging om te helpen staat een andere man aan de deur te sjorren - die niet meegeeft. Die handen zitten klem - ja ze zitten echt helemaal vast tussen die deuren. Nu de trein halt houdt, drukt iemand opnieuw op de knop naast de deuren - maar die gaan nog steeds niet open. De man hijgt van de pijn en gilt inmiddels luider, een monotone, bloedstollende stroom geluid. Waar zijn de conducteurs?

Mensen wijzen naar de noodknop boven de deur. Maar niemand doet wat, men brult alleen. Er zit immers glas voor. Daar kan dus niet op gedrukt worden, denk ik heel even, met die suffe hersens waarmee een mens kennelijk eerst alleen maar ziet wat hij ziet.

Men kijkt elkaar aan. Er is nergens iets hards te vinden. In een plotselinge stilte bevind ik me opnieuw aan het roer. Ben ik een held of niet? Sleutels! Ik wurm een lange loper uit mijn tas, steek gewelddadig toe, breek het glas, druk op de knop - en schsssssssss. De verlossing is zo normaal dat zij bijna niet opvalt.

De man probeert zijn blauwe vingers te strekken. Iemand komt met water. Er wordt druk gepraat. Waar zijn die conducteurs toch? De man blijkt een held. Hij probeerde iemand te helpen die op het laatste moment naar binnen sprong en wiens voet bekneld raakte. De voet schoot los, de laatkomer was binnen, maar zijn eigen vingers trok de held te laat terug. De gruwelijke ongelukken in Santpoort-Noord en op het Centraal Station, waarbij mensen hun benen zo verloren, worden huiverend gememoreerd. En daar zijn de conducteurs dan eindelijk. Zo te zien niet al te aangeslagen.

Integendeel. Ze zien er een beetje streng uit. Bestraffend spreken ze de gepijnigde man als eerste toe. “U begrijpt toch dat u de deuren niet kunt openhouden!” De man kan even niet antwoorden.

Eventjes een misverstand wegwerken. Het slachtoffer probeerde de deuren open te houden voor iemand anders wiens voet nog buiten de trein stak!

Daar weten de conducteurs niets van. Waar is die man dan?

Die staat er berouwvol bij.

Je kunt niet hard genoeg optreden tegen zulke onverlaten: “U weet toch dat er na het fluitje niemand meer naar binnen mag?”

“Ja”, fluistert de man, “maar ik had zo'n haast.”

“U had zo'n haast! Als u geen benen meer hebt kunt u haast in uw verdere leven wel vergeten! Dicht is dicht!”

De twee stoute mannen knikken stom na deze waarschuwing. Tuurlijk. Wie zijn billen brandt moet op de blaren zitten.

Ze staan ook nog even stil bij de noodrem en het vernielde ruitje van de noodknop. Ik had op hen moeten wachten. Dan weten ze even ook niet meer wat ze moeten zeggen. Ze proberen niet in de richting van de arme held te kijken, die stilletjes zijn zwellende vingers wrijft. “Eén ding is zeker: dit doet hij nooit weer!” schokschouderen ze dan - een grapje waaruit blijkt dat we vergeven zijn.

Misschien hadden ze die NS-conducteurs van vorige week beter niet kunnen vrijspreken?

    • Jessica Durlacher