Strijd oliereuzen tegen 'onteigening'; Doortastendheid kan Wijers niet ontzegd worden als het om marktwerking gaat

Oliemaatschappijen lopen te hoop tegen maatregelen die minister Wijers wil doorvoeren om de prijsconcurrentie op autobrandstoffen te verhogen. Meer benzinepompen in Nederland betekenen hogere prijzen in plaats van lagere, zeggen ze in koor.

BREDA, 16 JUNI. Doortastendheid kan minister Wijers (Economische Zaken) niet ontzegd worden als het gaat om bevordering van marktwerking. Ondanks zijn demissionaire status zet Wijers in sneltreinvaart door met een ingrijpend beleid om de prijsconcurrentie op de benzinemarkt te verruimen.

Volgens de Haagse mores moeten controversiële zaken in de windstille periode van een kabinetsformatie wachten op het aantreden van een nieuwe ministersploeg. Maar politiek is het plan-Wijers om de oligopolistischebenzinemarkt (weinig aanbieders tegenover veel vragers) open te breken, niet omstreden. De Tweede Kamer steunt Wijers' voorstellen in grote lijnen, zo bleek eind vorige maand tijdens een eerste debat. Voornaamste reden is dat geen partij zich wenst te verzetten tegen meer mogelijkheden om de pompprijzen omlaag te krijgen. Uit onderzoeken die Wijers liet uitvoeren, is gebleken dat de 'kale' benzineprijs (minus accijnzen en BTW) in Nederland beduidend hoger ligt dan in de buurlanden.

Maatschappelijk is er wel degelijk sprake van sterke weerstand. “De hele olie-industrie is in opstand”, zegt een bron die al vele jaren dagelijks met de benzineverkoop te maken heeft, en anoniem wil blijven. Oliemaatschappijen zijn uiterst voorzichtig met informatie over hun contacten met de overheid, uit vrees voor aantasting van hun marktaandeel in de Nederlandse verkoop van benzine, dieselolie en autogas. Maar het plan-Wijers roept zulke felle kritiek bij de grootste maatschappijen op dat ze zich nu met kwalificaties als “discriminatie”, “oneigenlijk” en “onwettig” tot de Tweede Kamer hebben gewend. Morgen krijgen ze tijdens een hoorzitting in Den Haag, georganiseerd door de Werkgroep Benzinemarkt, de gelegenheid hun bezwaren toe te lichten. Daarna wil Wijers snel een 'implementatieplan' van de werkgroep.

Vooral de term “onwettig” moet de juristen op betrokken departementen opnieuw aan het denken zetten. Het gaat hierbij om de voorgestelde beëindiging van contracten voor benzinestations langs de rijkswegen. De drie grootste maatschappijen - Shell, Texaco en Esso - hebben op dit deel van de markt dat het snelst groeit, een dominante positie met een gezamenlijk marktaandeel van 82 procent. Het gaat om de beste stations met de hoogste omzet, waar goed wordt verdiend, die ze goeddeels door hun lange aanwezigheid op de Nederlandse markt hebben verworven. In de rest van het land worden per station heel wat minder liters verkocht, reden waarom de majors hard protesteren als Wijers aan hun positie komt.

En dat doet de minister met harde hand. Zijn voorstel om tot een veiling te komen van vergunningen voor tankstations langs de snelwegen wordt door de hele olie-industrie omarmd, maar de voorwaarden waaronder is een punt van diepe verdeeldheid. Wijers wil niet alleen nieuwe contracten laten veilen tegen een marktconforme pachtprijs, maar ook de bestaande overeenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan aan een termijn van 10 tot 15 jaar binden. Na die periode kunnen kleinere en nieuwe marktpartijen proberen in aanmerking te komen voor die stations.

Om nu te voorkomen dat de rijkste oliemaatschappijen die strijd winnen, wil de minister “asymmetrische” (ongelijke) voorwaarden stellen aan de veiling. Bijvoorbeeld door een maximum te stellen aan het aantal locaties en het marktaandeel dat één exploitant of eigenaar kan verwerven.

“Wij zijn vóór een veilingsysteem op basis van de marktwaarde van pompstations dat de concurrentie kan aanscherpen”, zegt Gilbert Asselman, directeur Verkoop van Esso Benelux op het hoofdkantoor in Breda. “Maar dan wel op voorwaarde van gelijke monniken, gelijk kappen. Wat nu met asymmetrische voorwaarden voor die veiling dreigt, is een ernstige aantasting van de vrije marktwerking. Het is discriminatie op basis van marktaandeel die rechtstreeks ingaat tegen de principes van vrije concurrentie zoals vastgelegd in het EG-Verdrag. Ik denk dat we in een procedure daartegen heel sterk zullen staan.”

Esso verzet zich ook sterk tegen de voorgestelde beperking van contracten die voor onbepaalde duur zijn verkregen. “We zullen ons laten horen als het gaat om schadeloosstelling. Maar veel belangrijker is voor ons het behoud van marktaandeel. Wij hebben nu een marktaandeel van elf procent in Nederland dat in 1970 nog 19 procent bedroeg, en in 1940 zelfs 29 procent. We hebben dus al veel afgestaan aan nieuwe marktpartijen. Als daar nu op kunstmatige wijze iets van wordt afgeknipt, door regulering van de markt in plaats van deregulering, dan zet men ons bestaansrecht op de helling. Exxon Corporation, onze moedermaatschappij en aandeelhouder, kan dan oordelen dat onze continuïteit in gevaar komt, want je moet wel een kritische massa hebben. Als het beleid van Wijers werkelijkheid wordt, zullen we aan de hand van scenario's over de gevolgen daarvan met onze aandeelhouder moeten overleggen.”

Of de ondergrens met 11 procent marktaandeel bereikt is beantwoordt Asselman negatief, maar waar de grens precies ligt durft hij niet te zeggen. “Het gaat erom dat je kunt blijven concurreren. Wat de overheid moet doen is de voorwaarden stellen waar het gaat om milieuverplichtingen, het aantal toegestane locaties en dergelijke. Wij hebben al decennia lang laten zien dat we kunnen concurreren, ook op de prijs.”

Het standpunt van Esso wordt gedeeld door de twee andere sterke partijen in Nederland: marktleider Shell en Texaco met marktaandelen van repectievelijk 31 en 13 procent. Maar de kleinere spelers prijzen Wijers om zijn veilingsysteem met voorwaarden, dat voor nieuwe partijen de toetredingsdrempels moet slechten.

Waar alle oliemaatschappijen de overheid echter voor waarschuwen is het idee van een uitbreiding van het aantal stations ook automatisch een prijsdaling van de brandstoffen betekent.

Gilbert Asselberg van Esso: “Het omgekeerde kan zich voordoen. De vergelijkende studies die Wijers heeft laten maken, houden er geen rekening mee dat de omzetten van pompstations in Nederland lager zijn dan in het buitenland, terwijl hier hogere milieukosten en hogere prijskortingen gelden. Als je nu het aantal pompen gaat verruimen, nemen de marges voor leverancier en pomphouder af en onstaat er juist nog minder ruimte voor prijsconcurrentie.”

Een collega van een van de kleinere maatschappijen onderschrijft die visie. “We hebben net ten koste van veel geld een sanering van de pompstations bereikt. Alle maatschappijen hebben daaraan bijgedragen. Ondernemers die de hoge milieu-investeringen niet konden opbrengen zijn schadeloos gesteld. De huidige distributiemarges zijn niet meer dan drie cent per liter voor de oliemaatschappijen. Als je die marge verlaagt, moeten ook nieuwe toetreders met minder genoegen nemen, terwijl die toch ook hun investeringen moeten terugverdienen. Ik denk dat de Haagse politiek met deze operatie de aandacht wil afleiden van de enorme accijnsverhogingen op brandstof.”

    • Theo Westerwoudt