Sociaal-democratie moet haar plicht doen

Hoewel het marktdenken dominant is, is de sociaal-democratie in opmars. René Cuperus meent dat de Europese sociaal-democraten hun positie moeten gebruiken om de discussie over Europa buiten nationalistisch vaarwater te houden.

De sociaal-democratie is bezig aan een sterke comeback in heel Europa. Voorbij zijn de eindeloos lijkende oppositieperioden. De lijst met verkiezingsoverwinningen en regeringsdeelnames kan met het jaar worden uitgebreid. Daarop staan uiteraard de spectaculaire landslide overwinning van Tony Blairs New Labour en de onverwachte overwinning van de Franse PS onder leiding van Lionel Jospin. De Italiaanse 'olijfcoalitie' hoort er ook op thuis, net zoals het sociaal-liberale experiment van Wim Kok in Nederland en het weer vanouds sociaal-democratisch bestuurde Scandinavië. Na de zomer zal duidelijk worden of we ook Gerhard Schröders SPD in deze eregalerij kunnen opnemen. Het gaat goed met de sociaal-democraten in Europa, maar hoe goed gaat het met de Europese sociaal-democratie?

Allereerst valt op dat de comeback van de sociaal-democratie zich, curieus genoeg, afspeelt in wat velen beschouwen als een neo-liberaal tijdperk. Marktdenken en 'markt-doen' zijn uiterst dominant. Hebben we hier te maken met zoiets als evenwichtskunst van de kiezer, die de 'good old' sociaal-democratie in ere wil herstellen als contrapunt bij het heersende culturele klimaat? Of heeft die sociaal-democratie zelf een metamorfose ondergaan, waardoor zij zich in deze turbo-kapitalistische tijden goed kan handhaven, ja, er zelfs een leidende kracht in wil zijn?

Wie aan Tony Blairs New Labour denkt, met zijn conceptie van een 'derde weg' tussen Oud Links en rechts en zijn zelfgekozen etiket van een 'Pro Business Party', weet dat de verklaring van de raadselachtige terugkeer van de sociaal-democratie gezocht moet worden in programmatische aanpassingen van die politieke stroming. Al valt te bezien in welke mate die aanpassing heeft plaatsgevonden, in hoeverre deze gepland is geweest of juist de uitkomst van een leerproces van trial and error en hoe dit alles gewaardeerd moet worden. Want het klimaat mag dan tamelijk liberaal van karakter zijn, de recente opmars van de sociaal-democratie moet toch eveneens begrepen worden als verlate reactie op het hardvochtige neo-liberalisme van Thatcher/Reagan-snit gedurende de gehele jaren tachtig.

Een karakterisering van Ralf Dahrendorf - 'Het einde van de sociaal-democratische eeuw' - zette destijds de deterministische toon van het debat over de crisis van de sociaal-democratie. In vergelijking met die periode heeft de sociaal-democratie een herculiaanse terugkeer op het politieke toneel bevochten en is er sprake van een fors gewijzigd klimaat.

Toch is er een scheiding der geesten binnen de sociaal-democratie bespeurbaar, een die in vrijwel alle Europese landen te signaleren valt. Sommigen menen dat de huidige sociaal-democratie haar idealen van sociale rechtvaardigheid en faire kansen bezig is te verkwanselen door een overmatige meegaandheid met het economisch liberalisme. Anderen zien in een pragmatische aanpassing aan vrije marktdenken en individualisme de enige remedie in dit tijdperk van globalisering om de grootste bedreiging van sociaal-democratische waarden, namelijk massawerkloosheid, buiten de deur te houden. Weer anderen zien juist volop kansen voor een progressieve innovatie van de Europese verzorgingsarrangementen, gebaseerd op moderne leef- en werk-patronen, zoals er ook mensen zijn die deze 'beginselloze' periode in zijn geheel beschouwen als het mekka voor creatieve en onbevooroordeelde experimenten op het terrein van sturing en ordening.

De charismatische performance van Tony Blairs New Labour heeft het bijna aan het oog onttrokken, maar wezenlijker nog dan de eerder geschetste, is de scheiding der geesten die onderhuids dwars door de Europese sociaal-democratie heenloopt: de tegenstelling tussen Blair en Jospin. Deze moderne sociaal-democratische partijleiders representeren twee verschillende houdingen ten opzichte van de nieuwe internationale economie en de markt. Jospin ziet globalisering als een 'mutatie van het kapitalisme' die getemperd en gecorrigeerd moet worden door middel van (Europese) coördinatie en regulering. Blair ziet dit als een 'oud-linkse' strategie. Hij wenst de 'new world of dynamic markets' als uitgangspunt te nemen voor een beleid om mensen kennis en vaardigheden bij te brengen voor die nieuwe wereld. De Duitse SPD is juist verdeeld op dit punt. De scheiding loopt precies tussen de twee voormannen door: waar Gerhard Schröder zich gevoelig toont voor het Standort Deutschland-debat - Duitsland heeft zich te herstructureren ten behoeve van de globaliserende wereldeconomie -, daar publiceerde Oscar Lafontaine (met zijn vrouw) recent een boek met de veelzeggende titel Keine Angst vor der Globalisierung.

Het gaat bij de Frans-Britse tegenstelling primair om zogeheten nationale beleidstradities, die tamelijk resistent zijn voor politieke kleuren. Problematisch evenwel is, dat er voor dit type diepingrijpende verschillen van benadering niet of nauwelijks een forum voor debat binnen de Europese sociaal-democratie bestaat, terwijl deze uiteenlopende zienswijzen uiteindelijk in confrontatie met elkaar gebracht moeten worden bij het verder vormgeven van een democratischer en minder-werkloosheid-tellend Europa. De ongeëvenaarde 'machtspositie' van de sociaal-democratie in Europa schept immers verplichtingen.

Dat er over dit soort wezenlijke verschillen geen diepgaand debat plaatsvindt, heeft voor een belangrijk deel te maken met de manier waarop de Europese politiek functioneert en is georganiseerd. Er zit een enorme kloof tussen het Europese politieke domein, met zijn sterk technocratisch-institutionele inslag, en nationale programmatische discussies. Tussen Brussel, waar vraagstukken en discussies als het ware 'oplossen' in een labyrint van competenties, instituties en besluitvormingsprocedures, en het nationale niveau zit een grote grensoverschrijdende ruimte voor ervaringsuitwisseling en debat, een 'transnationaal vacuüm'.

Dat vacuüm wordt helaas allesbehalve opgevuld door het Europees Parlement, de zieke man van de Europese instellingen. Dat parlement zal voorlopig nog wel bezig zijn met de bestrijding van zijn vrijwel onherstelbaar beschadigde corruptie-imago.

Ook politieke partijen op Europese grondslag, zoals de Partij van Europese Sociaal-Democraten, de PES schieten schromelijk tekort in hun forumfunctie. Deze federatie van socialistische partijen is een tamelijk los en vrijblijvend samenwerkingsverband van nationale partijen dat bekend staat om zijn resoluties met een zo grote algemene deler van standpunten, dat deze zich oplossen in retorische nietszeggendheid.

Transnationale debatten en meningsvorming onder sociaal-democraten (voor andere politieke stromingen geldt overigens vrijwel hetzelfde) zijn evenwel van urgent belang, gelet op de ontwikkelingen die zich momenteel in Europa voordoen. Zo'n debat over het model-Blair versus het model-Jospin bijvoorbeeld is nodig als voorstadium van een echte politisering van Europa. Doel is een heus gemeenschappelijk sociaal-democratisch programma tegenover dat van andere politieke stromingen. Want, het geconstateerde gebrek aan samenwerking binnen de Europese sociaal-democratie wordt problematisch wanneer je de actuele ontwikkelingen in Europa beziet. Aan de ene kant de komst van de EMU en de uitbreiding met landen uit Oost- en Midden-Europa: zeer vergaande, diepingrijpende intensivering van samenwerking en integratie. Tegelijkertijd is er een beweging gaande richting nationaal egoïsme in onversneden vorm. Het federale ideaal is als het ware vervangen door een 'no nonsense Europa': Europa als strijdperk voor nationale beleidsconcurrentie, waar enkele spelregels het catch as catch can van de diverse lidstaten reguleren. Tegelijk is het Europa van de lobby's die zich verdringen om de 'Europese vleespotten' niet voor niets het best ontwikkeld. Het is evenwel dit Europa in zijn verschijningsvorm van 'machiavellistisch labyrint' dat voldoende tegendruk zal moeten blijven ondervinden, wil het niet in een strijd van allen tegen allen ooit ten onder gaan.

Europa kan niet overleven als louter arena van nationale belangen en nationale beleidstradities of als onderling strijdperk van regionale blokken (het Zuiden, Scandinavië, de grote landen). Dergelijke mechanismen en machtsstructuren dienen verdund te worden door grensoverschrijdende, transnationale, liefst inhoudelijk-programmatische oriëntaties en connecties. Bijvoorbeeld door een dialoog van politieke geestverwanten over de landsgrenzen heen. Pas als er een actief en inspirerend forum van sociaal-democraten bestaat dat soms het direct nationaal eigenbelang weet te relativeren, kan men stellen dat het er met de Europese sociaal-democratie redelijk voorstaat. Een machtspositie schept nu eenmaal verplichtingen.

    • René Cuperus