'Politie moet hooligans als individuen aanpakken'

Hooligans ogen als een massa losgeslagen beesten. Maar dat zijn ze niet, stelt bioloog-etholoog Otto Adang. Twaalf jaar lang onderzocht hij hun gedrag bij risicowedstrijden. 'Massaal geweld bestaat niet.'

UTRECHT, 16 JUNI. Britse hooligans draafden door Marseille. Schreeuwend, paars aangelopen van drank en peppillen, rukkend aan auto's en mensen ter ere van het WK. “Het komt helemaal overeen met de Nederlandse situatie”, zegt bioloog-etholoog Otto Adang. “Het lijkt heel erg, maar wat je toch vooral ziet zijn rennende mensen.”

Adang glimlacht dat “je ervan staat te kijken” hoe ver een gedragsonderzoeker bij zulke relschoppers kan gaan. “Terwijl ze elkaar op hun bek staan te slaan kan ik een meter daarnaast rustig in mijn cassetterecordertje inspreken wat er gebeurt.” Waarmee hij maar gezegd wil hebben dat het zogenoemde “massale geweld” niet bestaat. “Hoe ernstig de situatie ook lijkt, het gaat altijd om een beperkte verzameling individuen.” Juist het idee dat hooligans liefst als onnadenkende beesten in massa's opereren, bemoeilijkt volgens hem het voorkomen van rellen rond voetbalwedstrijden. Bij grootschalig politie-optreden zullen hooligans volgens Adang eerder als collectief terugslaan dan bij een individuele aanpak.

Otto Adang is een relspecialist. Voor zijn vorige week verschenen studie Hooligans, autonomen, agenten bezocht hij de afgelopen twaalf jaar 78 voetbalwedstrijden in de categorie 'risicovol' en daarnaast nog 139 protestacties en 58 potentiële relsituaties, van motorcrossfestijnen tot uitgaanscentra op zaterdagavond. Hij wilde bestuderen hoe rellen ontstaan, hoe ze escaleren en welke invloed politie-optreden daarop heeft. Bij iedere gelegenheid deed Adang minutieus veldonderzoek, waarbij hij zijn observaties steeds insprak op een bandje. Net zoals hij daarvoor te werk was gegaan tijdens zijn promotieonderzoek naar chimpansees in Burgers' Dierenpark in Arnhem.

“Ja, heel geestig”, zucht Adang, die fijntjes memoreert dat het verband tussen supporters en chimpansees tien jaar geleden in deze krant “al eens tot de boulevard-kop” voetbalapen leidde. Daar kan hij de humor niet van inzien. “Ik ben biologie gaan studeren om meer over het gedrag van mensen te weten te komen. En het verband tussen chimpansees en mensen is heus niet alleen terug te vinden bij hooligans.”

Inmiddels is hij als onderzoeker en adviseur verbonden aan het Politie Instituut Openbare Orde en Veiligheid (PIOV) en hebben de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken zijn onderzoek gefinancierd. Bij het PIOV is Adang nu een prominent aanspreekpunt in de voorbereidingen voor het Europees Kampioenschap voetbal dat in 2000 naar Nederland komt. Het PIOV heeft een 'projectgroep EK 2000' opgericht, die moet zorgen dat de politie voorbereid is op alle over twee jaar te verwachten relsituaties.

Mensen worden niet gewelddadig als ze zich in een massa begeven, stelt Adang steeds weer. “Vergelijk het met Zandvoort op een warme dag. Dat iedereen daar zijn kleren uittrekt komt ook niet door de massa op het strand. Die mensen wíllen dat en zoeken daarom Zandvoort op.”

Hetzelfde geldt voor hooligans. Adang noemt dat 'zelfselectie': het zijn vrijwel altijd mannen tussen 15 en 25 jaar die naar wedstrijden gaan om elkaar op te zoeken voor een rel. Zij zijn uit iedere sociale bevolkingslaag afkomstig, autochtoon én allochtoon. Ook in situaties buiten het voetbal zullen zij eerder dan anderen overgaan tot geweld, zeggen ze zelf. Omdat het aantal mannen in deze leeftijdsgroep volgens demografische voorspellingen nog sterk zal toenemen, sluit Adang nog meer rellen niet uit. “Ook van bijvoorbeeld Marokkanen, omdat het aandeel jonge mannen in deze groep nog harder zal stijgen. We moeten daardoor oppassen met het etiket 'rassenrel”'. Vaak is de bereidheid tot relschoppen eenvoudig een kwestie van leeftijd. Al voegt Adang daaraan toe dat een economisch-maatschappelijke achterstand behoefte aan een rel wel kan beïnvloeden.

Een uitzondering op dit archetype relschopper vormen de al wat oudere mannen die Adang steeds vaker tussen voetbalgeweld ziet opduiken. 'Gepensioneerde' hooligans als het ware, die na een periode van afwezigheid hun rentree maken. “Ze hebben aanzien in de groep, het woord wordt vaak tot ze gericht”. Maar over hun motivatie weet Adang niets. “Ik heb de groepen hooligans van buitenaf geobserveerd - ik zou graag willen weten wat zich daarbinnen afspeelt. Maar hen ondervragen werkt niet. Stoer doen is zo gewoon binnen die cultuur dat je niet kunt onderscheiden wat waar is. Wat heb ik eraan als een hooligan zegt: 'En dan gaat de adrenaline door mijn lichaam spuiten en dan word ik helemaal gek'? Zo'n jongen weet niet eens wat adrenaline ís.”

Adang kreeg één keer zelf een klap op zijn hoofd van een ME'er, wat hem een bebloed gezicht en een verbrijzelde bril opleverde. Hij bevond zich toen tussen een groep uit-supporters die door de Mobiele Eenheid en masse tussen hekken waren gepropt totdat de thuis-supporters het stadion hadden verlaten.

Zo worden supporters vaak aangepakt, terwijl Adang tijdens de risicowedstrijden zag dat hooligans uit zichzelf juist zelden in groepjes groter dan een man of vier opereren. In zijn boek, waarin veel uitgetypte observaties ter illustratie zijn opgenomen, laat de onderzoeker zien hoe alle hooligans weglopen van geweld als het erop aankomt, “zodra maar duidelijk is dat ze niet kunnen winnen”. Daarom pleit Adang voor een zo individueel mogelijk politie-optreden. Door middel van recherchewerk en zo nodig infiltratie moet tevoren nauwkeurig worden geïnventariseerd waar en door welke hooligans geweld is gepland. Aanhoudingseenheden die zich tussen de hooligans mengen, kunnen met die wetenschap gericht arrestaties verrichten. Agenten in vredestenue die zich in de massa begeven, kunnen de supporters vervolgens begeleiden en hooligans direct op hun gedrag aanspreken. Zo er al ME moet worden ingezet, dan zou ook deze zich zoveel mogelijk tussen de supporters moeten ophouden in plaats van in een linie daar tegenover. Dat laatste escaleert volgens Adang maar tot landje-pik, een “wij en zij-gevoel” dat collectief gedrag in de hand werkt.

Het is allemaal al wel geprobeerd, zegt Adang, maar nooit consequent genoeg: “Een van de redenen dat voetbalgeweld kan blijven bestaan, is een vermenging van twee doelstellingen: het verminderen van geweld en tegelijk dat van de politie-inzet.” Omdat hij heeft gezien hoe de kans op geweld met iedere uit-supporter extra toeneemt, is volgens Adang het punt bereikt “waarop je je moet afvragen of de politie uit-supporters nog moet begeleiden”. De politie mag vaak pas ingrijpen als de situatie al is geëscaleerd. “En zo blijft het politie-optreden onvoorbereid gerommel in de marge”.

Het consequent weigeren van uit-supporters bij wedstrijden, kan evenwel tot gevolg hebben dat hooligans uitwijken naar andere plaatsen. Adang pleit daarom voor een tussenstap: bij iedere wedstrijd zou het aantal uit-supporters dat wordt toegelaten afhankelijk moeten worden gesteld van hun eigen gedrag bij een vorige wedstrijd.

“Ook dat is al eens voorgesteld, maar er is nog nooit enig beleid consequent uitgevoerd”, zegt hij. De politie moet het eigen optreden structureler evalueren, vindt Adang, die daartoe bij het PIOV de 'intercollegiale toetsing' heeft ingevoerd: ME-commandanten bezoeken collega's tijdens rellen om te zien hoe zij het doen en elkaar ook later van commentaar te voorzien. “De onderlinge solidariteit bij de politie is zo groot, dat het nog min of meer verboden is het met elkaar oneens te zijn”, zegt Adang. “Bij 'leren' denkt de politie nog te vaak aan 'afrekenen'. En aan koppen die gaan rollen.”

    • Margriet Oostveen