Kernontwapening moet uit het slop

De kernproeven die India en Pakistan hebben uitgevoerd zorgen voor politieke onrust. Bart van der Sijde en Roelof Kruisinga vinden dat in de strijd tegen de verspreiding van kernwapens de arsenalen van de grote mogendheden niet buiten beschouwing moeten blijven en doen enkele voorstellen.

India en Pakistan hebben met hun kernproeven tijdelijk alle aandacht naar zich toegetrokken. Maar vroeg of laat zal toch het probleem van de ontwapening van de vijf erkende kernmachten weer aan de orde moeten komen. Een toestand waarbij vijf landen zichzelf het exclusieve recht toekennen voor hun veiligheid kernwapens nodig te hebben en tegelijkertijd de rest van de wereld proberen te overtuigen van het gevaar ervan, roept onbegrip en spanning op.

Er is momenteel sprake van een omslag in de perspectieven op kernontwapening na een periode van successen met het INF-verdrag over 'Europese' kernwapens, de beide START-verdragen, de verlenging van het non-proliferatieverdrag (NPV) en het kernstopverdrag. Directe oorzaken van het pessimisme over deze tendens zijn het feit dat in de VN-commissie voor ontwapening met geen enkel nucleair initiatief enige voortgang wordt geboekt, dat de Russische Doema het START 2-Verdrag niet ratificeert en dat ook op de tussentijdse conferenties van het NPV geen aanwijsbare vorderingen worden gemaakt.

Het meest verontrustend is echter dat in een reeks van rapporten van de laatste paar jaar duidelijk is geworden dat de Amerikaanse nucleaire lobby de snelle afbraak van het nucleaire apparaat aan het einde van de Koude Oorlog volledig tot staan heeft weten te brengen. Deze lobby heeft zich erop toegelegd met een enigszins afgeslankt apparaat de functie van het fenomeen kernwapen volledig in stand te houden. Nog altijd staan 3.200 Amerikaanse kernwapens in de zogeheten 'alert' toestand en er zouden bij ongewijzigd beleid weleens ca. 10.000 Amerikaanse kernkoppen gehandhaafd kunnen worden. Er is inmiddels een project van start gegaan met de geruststellende naam 'Stockpile Stewardship and Management Program', met een budget van maar liefst 50 miljard dollar voor de eerste twaalf jaar. Dit project is niet alleen bedoeld om 'op de winkel te passen', maar om met proeven die net wel of net niet zijn toegelaten onder het kernstopverdrag de bestaande kernwapens bij voortduring aan te passen en te moderniseren en mogelijk ook nieuwe typen te ontwikkelen. Uit deze ontwikkelingen blijkt zonneklaar dat men niet van plan is zich voor te bereiden op nucleaire ontwapening en dat zelfs te forse inkrimping uit den boze is.

Ook met Rusland gaat het momenteel niet goed, zij het op een totaal andere manier dan bij de Amerikanen. De Doema wenst nog steeds START 2 niet te ratificeren. De parlementariërs bewijzen hun land daarmee een slechte dienst, want ze verplichten het een steeds gammeler wordende, snel verouderende nucleaire strijdmacht van grote omvang op de been te houden.

Tegen deze achtergrond is een zo snel mogelijke, evenwichtige ontwapening in het belang van de gehele wereld. Het is opvallend dat de vaak bekritiseerde president Reagan reeds in 1986 in Reykjavik de vrijheid van geest opbracht om met Gorbatsjov te filosoferen over een kernwapenvrije wereld en dat zijn opvolger Bush in september 1991 een ongeëvenaarde lijst van eenzijdige maatregelen nam bij het einde van de Koude Oorlog. Dit in tegenstelling met het huidige gebrek aan een overtuigende visie op ontwapening zoals we die nu bij de regering Clinton zien.

De afgelopen twee jaar is een groot aantal malen een dringend beroep gedaan op de kernwapenstaten een andere koers in te slaan. In VN-verband zijn vele resoluties ingediend, die vrijwel steevast worden weggestemd door de meeste kernwapenstaten - en ook door Nederland. Om drie van de voorstellen te noemen: het Canberra rapport van augustus 1996, dat onder gezag van de Australische regering is samengesteld, de verklaring van een vijftigtal oud-generaals en admiraals van december 1996 en de op 2 februari 1998 uitgegeven verklaring van ruim honderd (oud)-politici. Deze verklaring is in Nederland ondertekend door negen oud-politici, waaronder drie oud-(vice)premiers (Van Agt, Lubbers en Terlouw) en vier oud-ministers of -staatssecretarissen van Defensie. In genoemde voorstellen is de vraag naar verdergaande ontwapening, dus verdere stappen na START 3 te vinden. Herhaaldelijk wordt ook de vraag gesteld zich te onderwerpen aan de beloften van het NPV en te komen tot een toezegging over volledige nucleaire ontwapening binnen een bepaalde tijd. Deze gedachte wordt door ten minste vier van de vijf kernwapenstaten afgewezen.

Wij vinden dat een voorzichtige en verantwoorde politiek van de slotfase van nucleaire ontwapening moet beginnen bij aantallen kernwapens die vele malen lager liggen dan de huidige. Alles wat daarboven uitkomt is in feite pure inflatie van aantallen die tijdens de Koude Oorlog zijn ontstaan. Waar blijven de staatslieden met voldoende gezag, gezond verstand en verantwoordelijkheidsgevoel om de huidige doeleinden drastisch bij te stellen zodat ze leiden tot evenwichtige, ingrijpende reducties?

Het wordt tijd dat kernwapenstaten zich vastleggen op een aantal van maximaal honderd wapens binnen een periode van hooguit twintig jaar, waarna de internationale toestand van dat moment beslissend zal zijn over de verdere afloop. Bijvoorbeeld het voorlopig aanhouden van een twintigtal wapens in VN-verband als indekking tegen een aantal onbetrouwbare landen of nog andere varianten. Maar steeds met het uiteindelijke doel om te komen tot algehele kernontwapening. Voor wie denkt dat genoemde aantallen bijna niets voorstellen: het einde van de Tweede Wereldoorlog werd geforceerd door twee kernwapens en in een Amerikaans rapport wordt gesteld dat een twintigtal Amerikaanse kernwapens al in staat is om de Russische samenleving een vernietigende slag toe te brengen.

In genoemde verklaringen wordt een aantal stappen voorgesteld die ertoe moeten leiden dat aan de huidige politieke situatie van redelijke ontspanning veel meer ruimte wordt gegeven en aan het gevaar van een kernoorlog per ongeluk veel meer aandacht wordt besteed dan thans het geval is. Het zijn alle maatregelen die, met de noodzakelijke politieke wil, sneller gerealiseerd kunnen worden dan een geleidelijke, evenwichtige ontwapening: 1. Kernwapens uit hun parate toestand halen, ze scheiden van hun draagsystemen (onderzeeërs, vliegtuigen) of het aanbrengen van fysieke belemmeringen waardoor snelle inzet onmogelijk is. Het is typisch een maatregel die past in het politieke klimaat van na de Koude Oorlog. De huidige relatie tussen het Westen en Rusland en China laat zich moeilijk vertalen in de noodzaak over en weer constant duizenden doelen onder schot te houden. Het is echter, meer dan zes jaar na het einde van de Koude Oorlog nog steeds de werkelijkheid. Dergelijke vrij ingrijpende maatregelen kunnen echter niet zonder slag of stoot genomen worden.

Zelfs voor het laten varen van de parate status is het noodzakelijk dit in onderling overleg te doen en niet totaal eenzijdig. Maar het geeft tenminste al enige bescherming tegen al te overhaaste, foutieve beslissingen. De echte doorbraak is echter gelegen in de scheiding van draagsystemen en kernkoppen of het aanbrengen van barrières die een half tot een heel etmaal kosten om te verwijderen. Wanneer de politieke wil aanwezig is om op termijn het kernwapen af te schaffen, is dit een uiterst belangrijke manifestatie daarvan. Dergelijke maatregelen lenen zich zeker niet voor eenzijdige invoering. Ze zouden bij verdrag geregeld en door de kernwapenstaten onderling gecontroleerd moeten worden. 2. Een bindende verklaring om kernwapens niet als eerste te gebruiken, het zogeheten 'no first use'-principe. In combinatie met het eerste punt zou dit in feite al vrijwel alle nucleaire dreiging wegnemen. De Westerse kernwapenstaten en ook Rusland hebben deze verklaring echter nooit willen afgeven. Ook Van Mierlo heeft zich onlangs in de Kamer een uitgesproken tegenstander van dit principe getoond. Alleen China gaat uit van dit principe.

Het komt al een eindweegs tegemoet aan de uitspraken van het Internationale Hof van Justitie van 1996 dat vrijwel volledig afstand neemt van het dreigen met en het gebruik van kernwapens. Óf de kernwapenstaten weigeren aan dit principe gevolg te geven, om zo voor zichzelf het recht voor te behouden een eerste beslissende klap uit te delen, óf ze zijn bereid ook deze stap in de richting van devaluatie van het kernwapen te maken. Ook hiervoor geldt dat het zich niet goed leent voor eenzijdige maatregelen, maar slechts door te voeren is bij verdrag tussen de kernwapenstaten. 3. Het terugtrekken van kernwapens die buiten de landsgrenzen zijn gestationeerd of het afschaffen van niet-strategische, zogeheten tactische kernwapens. Beide varianten geven een duidelijke inkrimping van de bewegingsruimte van kernwapenstaten en hun bondgenoten. Deze vechtwapens dienen als symbool van een onwenselijke kernoorlog als eerste te verdwijnen. Deze voorstellen hebben rechtstreeks betrekking op de Amerikaanse tactische kernwapens in Europa. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie heeft het enige jaren geduurd voordat alle kernwapens uit de andere staten van het imperium waren verwijderd. Zo niet binnen NAVO-verband. Kenmerkend voor de stagnatie van nieuw beleid in de laatste jaren is dat we op het gebied van de tactische kernwapens nog precies even ver zijn als na de maatregelen van Bush in september 1991. Waar Bush het toen raadzaam vond om voorlopig nog enkele ijzers in het vuur te houden, is momenteel het ter discussie stellen van hun aanwezigheid vloeken in de kerk. Het vormt echter een stevige sta-in-de-weg bij een waarachtige omvorming van de NAVO van verdedigings- naar onderlinge veiligheidsorganisatie.

Ook Nederland volgt momenteel met te veel overtuiging en te weinig kritische afstand de Amerikaanse politiek. De zorg voor non-proliferatie is van de allergrootste betekenis, uiteraard met betrekking tot landen als Irak, Iran en Noord-Korea, maar ook ten aanzien van India en Pakistan. Elke nieuwe kernwapenstaat kan aanleiding geven tot ernstige complicaties. De instandhouding van een omvangrijk Amerikaans kernwapenarsenaal en het gammele karakter van de Russische kernmacht kunnen echter niet buiten beschouwing blijven of als ondergeschikt probleem worden gezien.

    • Roelof Kruisinga
    • Baert van der Sijde
    • Tweede Kamer der