Hondje

“Kom dan”, klinkt het zacht vanaf de straat. “Kom.” Maar hondje komt niet. Niet na vijf en niet na tien keer roepen. Wel heeft de stem de aandacht van de groep op de stoep gevangen.

“Misschien moet je 'koek' roepen”, oppert iemand.

“Wil je een biertje”, vraagt een ander.

“Nee, dank je”, antwoordt de uitlater. “Hoeft niet. Kom.” Maar hondje komt niet. Beestje scharrelt tussen onze benen op zoek naar restjes barbecuevlees. Het zoveelste, gezagloze 'kom' brengt daar geen verandering in. “Hoe heet je hondje?” vraagt Nico onschuldig. “Misschien helpt het als je hem bij z'n naam noemt.” “Het is mijn hondje niet.”

“Maar zo komt-ie niet.” Jongen zwijgt luttele minuten. Dan klinkt het haast onhoorbaar: “Rutje, kom.” Rutje komt niet. Rutje kwispelt wel op de maat van onze lachsalvo's. Jan veegt de tranen uit zijn ogen, tilt hondje op en legt het in de armen van de begeleider. “Zo gaat Rutje wel mee.”

Maar jongen houdt niet van hondje in zijn armen. Zet Rutje acuut weer neer en haalt een halsbandje tevoorschijn. Met gekromde rug, neus op de knieën, Rutje beetje wurgend, trekt jongen hondje aan zijn bandje langs de Amsterdammerse paaltjes. “Dag Rutje”, roepen we, maar jongen laat bandje los. Enthousiast begroeten we het viervoetertje.

“Wil je een glas wijn dan?” biedt Jan aan. Jongen wil geen wijn. “Ik zou om elf uur terug zijn.” “We kunnen wel even bellen”, biedt Frank poeslief aan. “Dat je wat later komt.”

“Een riem doet wonderen”, helpt Nico. “Heb je geen ...?”

Jongen negeert alle opmerkingen. Pakt halsbandje weer beet en begint opnieuw neus op de schoenen Rutje mee te sleuren.

“Zullen we met z'n allen mee lopen, dan ben je tenminste op tijd thuis”, zucht Frank twee tellen later, als Rutje zijn neusje in een bak chips steekt. Enkele gasten staan al op. Zakken verbaasd terug op de stoeptreden.

Jongen haalt een lange riem uit zijn broekzak. Ook Rutje had dit niet voorzien. Blijft stokstijf staan. Kijkt ons smekend aan. Maar wij zijn wrede, grote mensen. “Je moet trekken”, adviseert Frank. Dat begrijpt Rutje. Met opgeheven hoofd, jongen achter zich aan sleurend, dribbelt Rutje heen. Die laatste, korte kef betekende vast en zeker: “Kom”.