Geboorte Eugène Delacroix op vijf plaatsen in Parijs herdacht; Wedijveren met de grote schilders

Grand Palais (t/m 19/7), Musée Delacroix (6, rue du Fürstenberg, di. dicht), Bibliothèque Nationale, Site Richelieu (t/m 11/7, ma. dicht). Verder nog in Tours, Rouen en Chantilly.

De impressionisten liepen weg met hem. Cézanne bewonderde hem niet minder. Ook eigentijdse kunstenaars zijn nog steeds dol op zijn werk. De Nederlandse schilder Constant heeft hem zelfs omschreven als een onmisbare sleutelfiguur, want 'zonder Titiaan geen Rubens, zonder Rubens geen Delacroix, zonder Delacroix geen Cézanne'. En de Fransen doen er in recente publicaties nog een schepje bovenop: Eugène Delacroix is een groots vernieuwer, een genie, vergelijkbaar met Rembrandt.

Het regent deze weken Franstalige loftuitingen, want op een vijftal locaties in Parijs wordt herdacht dat Eugène Delacroix (1798-1863) tweehonderd jaar geleden werd geboren: 'De laatste meester van de renaissance en de eerste van de modernen', vond de dichter/criticus Charles Beaudelaire. Maar wie de muisstille Bibliothèque Nationale in Parijs binnenloopt, treft er zulke oervervelende gravures aan, dat die hommage eerder een vergissing lijkt. Laatmiddeleeuws verklede lieden staan er - blad na blad - als in beton gegoten een scène van Goethe of Shakespeare na te spelen.

Een paar zalen verder is gelukkig al meteen te zien dat Delacroix ongekend knap, uit de losse pols en in bruine inkt, ook volstrekt andersoortige drama's kon ensceneren. En dan begrijp je ineens beter waar die vergelijking met Rembrandt - hoewel overdreven - vandaan komt. Een puntige krabbel, een trefzekere lik, een haal voor de grotere figuren, en er doemt een fatale vechtscène op tussen tijgers, tussen paarden en leeuwen, of tussen roofdieren, paarden èn mensen tegelijk. 'Moments suprêmes' die op papier veel meer vaart suggereren dan de 18de-eeuwse werkelijkheid ooit te zien gaf.

Delacroix, vermoedelijk een bastaard zoon van de staatsman Charles Maurice de Talleyrand, volgde de academie in Parijs, wilde later niets liever dan zich boven het vulgaire verheffen, en hij maakte zichzelf wijs dat zijn zwakke gezondheid een kort leven voorspelde.

Er was dus haast geboden. En aangezien hij vele ambities koesterde, want behalve tekenen, schilderen en graveren, moest er ook veel geschreven worden, putte hij zich uit in een omvangrijke productie van flamboyante doeken en van monumentale schilderingen, aangebracht in onder meer het Hotel de Ville, Palais du Luxembourg en Palais de Bourbon, waar de Assemblée nationale zetelt.

Tussentijds bezocht de schilder graag de Parijse salons, liep er George Sand, Chopin en Rossini tegen het lijf - zijn portretten van de eerste twee hangen nu in het Louvre bijeen - en profileerde zich als een soms sarcastische dandy en een erudiete causeur. Een van de reizen die hij maakte, naar Noord-Afrika, zou nog vele jaren later zijn vruchten afwerpen. Het gouden laat-in-de-middag licht van de Levant, de feeërieke folkore, de bonte kleren van de Arabieren en hun prinsesselijk geklede vrouwen; het zijn verspreid in Parijs vooral de notities van dat verblijf in Marokko - vluchtig in pen, stralend in verf - die Delacroix dichter bij zijn 20ste-eeuwse toeschouwer brengen.

In het Grand Palais, waar als hoogtepunt zo'n 90 doeken en 33 bladen uit zijn laatste levensfase (1850-1863) zijn samengebracht, komen we op klein en middelgroot formaat weer de mythologische en literaire thema's tegen die de jongere Delacroix al eerder had vormgegeven. Deze lyrische taferelen - geënt op de poëzie van Dante en Byron, op teksten van Goethe en Walter Scott, op middeleeuwse en Griekse mythes - doen inderdaad, zoals Baudelaire al schreef, door hun wervelende samenhang sterk denken aan klassieke voorbeelden, aan Rubens bijvoorbeeld, Delacroix' favoriet. Alles is met alles verweven in een landschappelijke harmonie, bijna organische kleurschakeringen en een schwärmerisch classicisme. Een verhevenheid, waar Delacroix' tijdgenoten veel emoties op projecteerden, maar die de 20ste-eeuwer vooral door hun virtuositeit aanspreken.

Het zal dan ook geen toeval zijn dat het Grand Palais op deze tentoonstelling de meer avontuurlijke spektakelstukken accentueert, over de leeuwen- en tijgerjacht, dieren die Delacroix in de Parijse Jardin des Plantes observeerde. Tot zijn laatste snik zou hij deze scènes - moordzuchtige roofdieren, sneuvelende paarden en Arabieren in wervelende gewaden - uitbeelden, alsof de statige kunstenaar die we van de bustes kennen, daar al zijn agressie op kwijt kon.

Tijdgenoten en liefhebbers duidden het anders. Zowel de mythologische 'massacres' alsook de fatale ontmoetingen tussen tijgers en vriendelijker wezens dient men te zien als de moeizame strijd die Delacroix met zichzelf leverde, met zijn slechte gezondheid en zijn critici. Of een andere metafoor: de kwetsbaarheid van een samenleving waarin de mens zich nauwelijks tegen barbarij kan verdedigen.

Meestal ging er aan deze wilde beestendoeken een serie studiebladen vooraf om de kluwen van spanning en geweld, van beweging en van okers, roden en diepe bruinen, explosief samen te ballen. Delacroix kopieerde in dit verband onder meer een geëtste leeuw van Rembrandt, die hij op jeugdige leeftijd al adoreerde. Hij mòest en zòu juist met dit thema kunnen wedijveren met zulke groten als Da Vinci, Raphael en Rubens. En dat is hem inderdaad beter gelukt dan met sommige religieuze schilderijen die, met hun licht-donker contrasten, in die laatste levensjaren ook opdoken.

Delacroix mag dan op deze tentoonstelling van alle kanten worden belicht - kleine, geaquarelleerde landschappen, grote bloemstillevens in olieverf, wolkenstudies als modernistisch aandoende pastels - om de Franse superlatieven te begrijpen, om hem te leren kennen als de leidsman van de impressionisten, moet de bezoeker vooral het Louvre bezoeken. Want daar hangen zijn kamerbrede 'massacres' tussen het werk van tijdgenoten, onder wie zijn bijna levenslange concurrent Jean Auguste Dominique Ingres (1780-1867) die geen turbulentie maar juist een verfijnd en statisch 'zijn' uitdrukte.

Daar in het Louvre, vergeleken met een voorganger als Géricault, vertellen de in omvang kolossale hoogtepunten van de Franse romantiek, zoals De dood van Sardanapalus en De vrijheid die het volk leidt hoe door Delacroixs dynamische toets het schilderkunstig beeld uiteen valt, hoe het als het ware al zachtjes ademt, om later, bij Cézanne van licht en lucht doordesemd te raken. Jammergenoeg zijn de eerste industriële verfsoorten die Delacroix toepaste, vaak in een heftig, veel geprezen kleurenspectrum, sterk verflauwd.

Vooral op dat Sardanapalus-panorama - de Assyrische vorst die vanaf zijn gloeiend rode divan toekijkt hoe diens slaven zijn vrouwen en eunuchen aan het mes rijgen -, maar ook op dat voor Frankrijk zo symbolische schilderij over de revolutie van 1830 is de pathos compleet. Aangezien pathos zelden ontroert en vooral bewondering afdwingt, houd je die heroïsche mythes ook weer snel gezien.

Dan liever naar de Rue de Fuerstenberg, hartje St. Germain. Daar staat aan een pittoresk plein Delacroixs woon- en sterfhuis, en atelier. En daar zijn de onvolmaakte voorstudies van Sardanapalus te vinden, zijn reisschetsen, zijn correspondentie, zijn palet. En daar hangt ook die ene aquarel, gepenseeld in alle schaduwtinten die zich tussen de plooien van lakens kunnen ophouden. Het blad laat een bed zien als ware het een warme moederschoot, een hol en een trampoline tegelijk. Met menig model heeft hij er plezier beleefd. Je zou wensen dat deze 19de-eeuwse workalholic veel vaker van die niemandallerige tussendoortjes had gemaakt.

    • Marianne Vermeijden