Een dagje naar Griend

De stuurman vertrouwt het voor geen cent. Hoewel zijn scheepje weinig diepgang heeft, wil hij toch zo snel mogelijk weg uit dit grillige stukje Waddenzee. Hij voelt de ebstroom al trekken. Vandaar dat wij ons haastig van enige kledingstukken ontdoen en langs het trapje in het koude zeewater afdalen. Het reikt tot onze heupen. Voorzien van rugzakken, koelbox, camera's en verrekijkers zetten wij koers naar de wal. Als de boot draait en het geluid van de motor wegsterft, zijn wij met de stilte alleen.

Met elke stap naar het strand wordt het water iets warmer. Een houten baken en een vogelhut op palen steken boven de lage duinen uit. In ons gezelschap bevinden zich enige mensen van Natuurmonumenten die op het strand een paars-geel bord zullen neerzetten: 'Griend, vogelreservaat, geen toegang'. Dezelfde tekst is onlangs op de vogelhut aangebracht. De afgelopen winter kreeg het eiland ongewenst bezoek, waarschijnlijk van kanovaarders.

Op het strand komt een van de twee vogelwachten ons met een kruiwagen tegemoet. Kort en krachtig stelt hij zich voor als Piet. Waarmee hij misschien wil aangeven: al die sociale hokjes en formele poeha die men er op de wal op nahoudt zijn op Griend van geen belang. Hij blijkt een vlotte prater met een zuidelijk accent, die ontspannen in zijn vel lijkt te steken. Hij legt de koelbox in de kruiwagen en gaat ons voor naar het huisje op palen. Terwijl we langs de zeereep wandelen kiezen honderden kokmeeuwen ('kokken', zegt Piet) het luchtruim. Een geur van vogelmest waait ons tegemoet. En ook nog iets anders: een lucht van ontbinding. Hier en daar liggen aan de vloedlijn kadavers van eidereenden. 'Wacht maar tot je hier langer bent', zegt Piet. 'Dan stink je net zo erg als ik.'

Een douche vloekt kennelijk met het spartaanse leven op Griend. Zoet water wordt geïmporteerd. Wekelijks komt er een bevoorradingsbootje van Terschelling dat buitengaats de goederen op de schouders van de vogelwachten laadt.

Griend ligt halverwege de vaarroute naar Vlieland en Terschelling. Passagiers aan boord van de veerboten hebben er vaak geen idee van dat zij langs Griend varen. 'Dat is Vlieland', heb ik wel eens gehoord. Of nog zotter: 'De Vliehors'. Eeuwen geleden, toen Griend een stuk groter was en zelfs bewoond werd, zou men een dergelijke fout niet gemaakt hebben. Terschellingers hebben ook altijd wel geweten waar zij de eieren van sterns en meeuwen moesten rapen.

Aan de noordelijke horizon zijn het rode vuurtorentje en de massieve Brandaris van Terschelling duidelijk zichtbaar. Als de zon op het water schijnt, lijkt het net of er op de Noordsvaarder, links van de Brandaris, een Spaanse kuststad vol witte wolkenkrabbers verrijst. De zuidelijke horizon wordt beheerst door de fabrieken van Harlingen en de turbomolens aan de Friese kust. Een lint van zeilschepen trekt in de vaargeul aan ons oog voorbij.

Griend is bezaaid met nesten. Het is oppassen waar je je voeten plaatst. Tot mijn verrassing zijn het niet de Noordse sterns die ons krijsend belagen, maar de visdiefjes. Op IJsland, de Faer/oer en andere noordelijke streken zijn het juist de 'kria's', zoals de Noordse stern in het IJslands genoemd wordt, die het een indringer lastig maken. Een paadje door de duinen leidt naar de vogelhut. Nu pas is goed te zien dat Griend een boomloos oord is. Alleen een grauwe wilg en twee egelantiers hebben er wortel geschoten. Aan de noordkant van het eiland loopt een lage zanddijk die een einde aan de afslag heeft gemaakt. Het eiland is zelfs gegroeid. Bij eb valt er nu ongeveer 70 hectare droog.

Piet wijst ons op een kolonie grote sterns die om onduidelijke redenen op de wieken gaat. Het aantal neemt weer toe; het schijnt dat het welzijn van deze vogels samenhangt met de grootte van de haringstand. Dit jaar ligt het aantal broedparen rond de 6.000. Griend behoort tot de belangrijkste broedgebieden van deze stern in West-Europa. Zij worden gezelschap gehouden door een kleine 30.000 paar kokmeeuwen, 2.500 visdiefjes, 1.000 Noordse sterns en 400 paar scholeksters. Voorts brengen nog kleine aantallen strandlopers, plevieren en kleine mantelmeeuwen hun jongen op het eiland groot. Zelfs de velduil is present. De hoop is dat de lepelaar, die zich elders in het waddengebied heeft gevestigd, Griend zal weten te vinden.

Wie de trap naar de hut beklimt, vraagt zich af wat de bedoeling mag zijn van de twee ronde plastic schijven die om de leuningen zijn aangebracht. Wel, zij moeten de bosmuizen tegenhouden, die in de categorie ongewenste bezoekers vallen. Van Theun, de tweede vogelwacht, een rossige bioloog uit Groningen, horen wij zelfs over een 'kok' die een bosmuis (per ongeluk) inslikte. Dit is zijn eerste jaar. Voor Piet is het de vierde keer dat hij de hut bemant. 'Je raakt een beetje verslaafd aan dit werk', zegt hij. Dat werk heeft vooral betrekking op onderzoek. Zoals het tellen van de aantallen vogels; het - met telescopen - aflezen van de ringen, en zo meteen het bepalen van het broedresultaat. Een werkdag op Griend is twaalf uur lang.

In de hut staan dan ook twee laptops. Twee zonnepanelen zorgen voor energie. Voor de rest is het spartaanse eenvoud. Houten vloer; twee houten tafels; twee stapelbedden en een logeerbed waarop de vriendin van Piet een boek van Koos van Zomeren zit te lezen; een kachel; een primitief keukenhoekje; een deur met een hor; een boei van de 'Johanna' uit Urk aan de wand. Maar het uitzicht door alle ramen is natuurlijk fabuleus.

Op een plank staat het lokale bibliotheekje. Ik blader door 'Griend - vogeleiland in de Waddenzee' van Jan Veen en Jan van de Kam. Veen, die in de jaren zestig op Griend verbleef, promoveerde zelfs op 'zijn' eiland. In het 'bewakingsverslag' van 1997 kom ik enkele wetenswaardigheden tegen. Zo signaleerde men een valkparkiet en een 'soepeend', die nota bene tot broeden kwam. De vermelding van een 'fitjaf' wijst erop dat de vogelaars een fitis en een tjiftjaf niet met het blote oog van elkaar konden onderscheiden.

Terwijl de fotograaf zich in een 'schuifeltentje' bij een kolonie grote sterns terugtrekt, loop ik alleen naar de oostpunt van het eiland. Op weg naar Vlieland, waar hij bij familie logeerde of een dokterspraktijk waarnam, moet J. Slauerhoff vaak een blik op Griend geworpen hebben. 'Overal op aarde heerst orde', dichtte hij. 'Men late mijn eiland met rust; 't Blijft woest, zal niet anders worden, Zolang ik kampeer op zijn kust.'

Zouden ze na het broedseizoen geen mannetje op Griend kunnen gebruiken? Iemand die op de hut past en kanovaarders terugstuurt? Desnoods voor een aangepast salaris. Ik zal het Natuurmonumenten eens voorstellen.

    • Gerrit Jan Zwier