Dichter kruipt in de huid van Hitler en Lennon

ROTTERDAM, 16 JUNI. Hij stond er nogal sip bij, presentator Erik Menkveld, toen hij gisteren aan het begin van de derde Poetry-avond meldde dat schrijver/vertaler August Willemsen “er niet in geslaagd was zijn aanwezigheid hier te effectueren.” Die droefenis was begrijpelijk, want Willemsen had de spil van het Braziliaanse programma moeten vormen.

Hij was het die alle gedichten van de aanwezige dichters in het Nederlands had vertaald, hij zou ook de avond presenteren en misschien een gesprek voeren met Ferreira Gullar (1930), volgens Menkveld “een van de vier grote Braziliaanse dichters van deze eeuw”. Maar goed, Willemsen was onvindbaar en Menkveld ving de klap op, wat hij overigens prima deed.

En gelukkig waren er de dichters. Cláudia Ahimsa (1963), oud-danseres bij Pina Bausch, las korte, wat hermetische gedichten waarin opvallend veel vogels voorbij fladerden; Nelson Ascher (1958), getooid met staartje en bronzen stem, probeerde met zijn poëzie het hele universum te bestrijken - van wetenschappelijke paradigma's tot spataderen.

Het indrukwekkendst in het Braziliaanse programma was echter Ferreira Gullar, met wie, onder leiding van Willemsen, op Poetry ook een vertaalproject wordt georganiseerd. Daarbij maken andere, aan Poetry deelnemende, dichters vertalingen van Gullars werk, om die op de slotdag te presenteren. Voor velen kan dat een interessante ervaring zijn, juist omdat Gullar het dichten zelf vaak tot onderwerp van zijn poezie maakt, zoals in 'Gerucht': “Elk gedicht is slechts van lucht / gemaakt / de hand van de dichter / splijt niet het hout / houwt niet / het ijzer / de steen / doopt niet zijn vingers / in blauw / wanneer hij schrijft ochtend / of bries / of bloes / van een vrouw.

De avond kreeg onbedoeld iets sulligs toen duidelijk werd dat de werkelijke personele kaalslag niet in het eerste maar in het tweede deel van de avond had plaatsgevonden. Van de drie genodigden voor het Chileense programma, de dichters Oscar Hahn en Gozalo Rojas en presentator Jean Pierre Rondas, was zowel Rondas als Rojas door ziekte geveld. Vooral de afwezigheid van de laatste, winnaar van de Octavio Paz-prijs en bekend om zijn levendige voordracht, was spijtig, al werden zijn gedichten nu mooi gelezen door radiopresentator José Zepeda. Hahn, de enige overgeblevene, betrad het podium met het plagerige 'I am not Óscar Hahn, I'm his twin brother', maar wist vervolgens met sypathieke, elegante gedichten de show te stelen. Hahn verplaatst zich in zijn gedichten graag in andere personages, variërend van Hitler tot John Lennon en Nietzsche, maar hij kan ook gewoon voor een televisie zitten die niet aanstaat: “(-) Hap voor hap eet ik mijn bord Campbell soep leeg / voor de televisie die niet aanstaat / Het scherm weerkaatst het beeld / van de lepel die mijn mond binnengaat / ik ben de reclame van mezelf / die niets aanprijst / aan niemand'. Gelegenheidspresentator Marc Reugenbrink merkte daarna op dat hij die ochtend helaas pas voor het eerst kennis had gemaakt met Hahns werk had. Dat had hij wel eerder gewild, en hij was niet de enige.

Vanvond in de grote zaal van de Rotterdamse Schouwburg, aanvang 20 uur: Klankrijke kelen, een programma met klankgedichten van onder anderen Paul Dutton, Valeri Scherstjanoi en Amanda Stewart.

    • Hans den Hartog Jager