Conservatief

Alles gaat achteruit. Niets is meer wat het geweest is. Die tijden komen nooit meer terug.

Het is een verleidelijke manier van conservatief denken waaraan we op den duur nooit helemaal kunnen ontsnappen. Hier twee voorbeelden die het recente tv-aanbod opleverde.

In Villa BvD, het WK-programma van RTL 4, windt vaste gast Jan Mulder zich op over de kwaliteit van het vertoonde spel. “Dat hele voetbal, ik vind er geen bal meer aan”, zegt hij.

Hij begint te sjorren aan de kleding van presentator Henk van Dorp. Er ontstaat een kostelijke parodie op het inderdaad belachelijke getrek aan elkaars shirt dat je tegenwoordig voortdurend in duels ziet. Mulder: “Ik zie steeds overtredingen die eigenlijk met een strafschop bestraft zouden moeten worden. Het is gevechtsvoetbal. Ik zie bij de Duitsers spelers die in 1970 niet goed genoeg zouden zijn geweest voor RBC Roosendaal.”

Als leeftijdgenoot van Jan Mulder ben ik het op het eerste gezicht roerend met hem eens. Veel wedstrijden zijn saai, vroeger werd er meer op techniek en minder op kracht gespeeld, het resultaat was toen nog niet alleen zaligmakend. De Braziliaanse keeper Claudio Taffarel hoorde ik gisteravond in een EO-documentaire zeggen: “In 1994 speelden we lelijk, gesloten voetbal, maar we wonnen wél.”

Maar na enig doordenken slaat de twijfel toe. Nog nooit is het voetbal zo'n mondiaal gebeuren geweest. Al die miljoenen mensen die over de hele wereld gebiologeerd naar dezelfde wedstrijden zitten te kijken - zouden ze het doen als ze zich stierlijk verveelden? En wat te denken van al die intellectuelen die tegenwoordig voetbaltijdschrijften en voetbalboeken vol schrijven en urenlang kunnen discussiëren over het wel of niet opstellen van Edgar Davids? Voetbal moet toch een kwaliteit hebben die hen - meer dan bijvoorbeeld hockey en handbal - steeds weer in vervoering brengt?

Als de techniek minder is geworden (Cruyff beweert dat ook), zijn er misschien andere kwaliteiten voor in de plaats gekomen waarvoor een jongere generatie ontvankelijker is. Snelheid bijvoorbeeld, het in een oogwenk moeten beslissen over de juiste voortzetting van het spel. De voetballers van tegenwoordig moeten uit de kleinste ruimte het hoogste rendement halen. Het leidt allemaal tot een grotere verbetenheid en meer strijd.

Misschien zouden we nu wel met z'n allen in slaap vallen als we naar het voetbal van Abe Lenstra moesten kijken. Het zou wel eens erg lauw en ongeïnspireerd kunnen zijn, en uitgevoerd in een ondraaglijk laag tempo. Filmbeelden uit vroeger jaren bevestigen alleen maar dat vermoeden.

Ander voorbeeld van 'conservatief denken': de countrymuziek is verloederd. Ze is glad, zoetig en commercieel geworden. Het is een mening die je herhaaldelijk tegenkomt in De Nashville-formule, een aardige driedelige documentaire over countrymuziek bij de NPS.

“Je kunt het geen country meer noemen”, zegt zanger Willie Nelson, een 'ouwe rot' in het vak. Iemand anders: “Vroeger werd er een feest gegeven als je als artiest 250.000 cd's had verkocht. Tegenwoordig zeggen ze dan je contract op.”

Tegelijk moet worden vastgesteld dat de countrymuziek nog nooit zo populair is geweest. De omzet is in de jaren negentig verdriedubbeld. Countrymuziek - altijd vooral bestemd voor ouderen - is eindelijk ontdekt door een jongere generatie. Die stelt haar eigen eisen: meer glitter en glamour op het podium, meer vaart in de muziek.

Levert dat per definitie slechtere artiesten op?

Ja, zegt Willie Nelson. Ik twijfel weer. In de tweede aflevering werden twee artiesten gevolgd: een - Dale Watson - die zich niets van de commercie aantrok, en een - Keith Harling - die zich wél aanpaste aan de eisen van de platenmaatschappij. Ik moet stiekem toegeven dat ik Harlings muziek aardiger vond. Dale Watson klonk nogal naar Willie Nelson - naar Abe Lenstra dus.