Australië: goede relaties voor alles

Drie weken nadat Bacharuddin Joesoef Habibie de macht in Indonesië overnam, overheerst bij de meeste regeringsleiders in Zuidoost-Azië een onbehaaglijk gevoel. Ze zijn stuk voor stuk opgelucht dat het grote buurland zonder bloedvergieten de machtsoverdracht heeft voltooid. Ze hebben de nieuwe president allen per telegram hun felicitaties overgebracht en hun hoop uitgesproken dat de situatie in Jakarta en andere delen van het land snel zal stabiliseren.

Maar wat blijft overheersen is de zorg over de toekomst en de vrees dat aanhoudende onrust in Indonesië kan overslaan op hun eigen land.

In deze onzekere situatie is het ook voor Australië van het grootste belang de relaties met Indonesië zo goed mogelijk te houden. Het beleid van de regering in Canberra ten opzichte van Indonesië heeft zich altijd gekenmerkt door een flinke dosis opportunisme. Dat zal niet veranderen.

WELLINGTON, 16 JUNI. Australië is als de dood voor moeizame betrekkingen met Indonesië. Het onderhouden van goede relaties met Indonesië is zo belangrijk, dat de conservatieve regering van premiet John Howard zelfs openlijk gezichtsverlies voor lief neemt om diplomatieke blunders maar zo snel mogelijk glad te strijken.

Vorige maand, een dag voor president Soeharto's aftreden, waarschuwde minister van Buitenlandse Zaken, Alexander Downer, nog tegen de presidentskandidatuur van Joesoef Habibie. Habibie had Maleisië namelijk gesteund in zijn afwijzing Australië nauwer te betrekken bij internationale samenwerkingsverbanden in Zuidoost-Azië. Nadat Habibie evenwel tot opvolger van Soeharto was benoemd, was premier Howard een van de eersten die hem feliciteerde.

Indonesië is met zijn ruim 200 miljoen inwoners voor het bijna lege Australië belangrijker dan voor welk Westers land dan ook. De relatie vn de opeenvolgende regeringen in Canberra met het bewind van president Soeharto heeft zich in de afgelopen 30 jaar gekenmerkt door een dosis opportunisme. Als enig Westers land erkende Australië de Indonesische soevereiniteit over Oost-Timor. Die erkenning werd gevolgd door een gemeenschappelijk verdrag over exploitatie van olievoorraden in de Timor-zee.

De samenwerking tussen beide landen mondde in 1995 onder de Laborregering van Paul Keating uit in een militair verdrag, waarover in de diepste gehiem was onderhandeld. Dit ondanks de grote woede van veel Australiërs over het Indonesische optreden in Oost-Timor en berichten over Indonesische militaire activiteiten in Irian Jaya, nabij en soms zelfs over de grens met Papoea Nieuw-Guinea, een voormalig Australisch gebiedsdeel. De defensiecontacten tussen beide landen bestaan uit uitwisseling van gevoelige informatie en gezamenlijke oefeningen van elitetroepen.

Het is duidelijk dat premier Howard de relatie met Jakarta in de huidige onzekere situatie niet in gevaar wil brengen. Hij wordt daarin gesteund door zijn voorganger Keating, die vorige maand in de krant The Age de regering prees voor haar steun aan Indonesië bij de onderhandelingen met het Internationale Monetaire Fonds.

Howard leek vorige week overigens even tegemoet te komen aan kritiek op de Australische positie jegens Oost-Timor. Hij verklaarde dat de reputatie van de Indonesische regering zou toenemen, wanneer zij haar greep op Oost-Timor zou verminderen. Sommige waarnemers meenden dat die uitspraak een aanpassing van het Australische beleid inluidde. Gezien de recente geschiedenis van de opstelling van Canberra is dat echter onwaarschijnlijk. De opmerking moet eerder worden gezien als een erkenning dat Australië in deze kwestie internationaal te ver uit de pas is geraakt. De fundamentele 'Realpolitik' jegens Jakarta blijft onverminderd gehandhaafd.

    • Hans van Kregten