Antikatholieke schimperijen?

“En in het bijzonder: spaar mij de oud-vaderlandsch aandoende schimperijen tegen de katholieke Kerk. Ik zelf behoor tot haar niet, maar ik begrijp iets meer van haar dan de gemiddelde protestant, en heb grooten eerbied voor die Kerk en groote verwachtingen van haar toekomst.”

Deze passage uit een brief van de van huis uit doopsgezinde Huizinga (die een paar jaar tevoren, in tweede huwelijk, met een katholieke was getrouwd) werd geciteerd door de heer C.G. Hoogland in de brievenrubriek van de krant (11 juni).

Op wie dat citaat moest slaan, bleek niet duidelijk uit dat ingezonden stuk. De enige die Hoogland in zijn brief verder noemt, ben ik; maar ik voel mij niet aangesproken, want kort tevoren had ik in twee artikelen (5 en 9 juni) juist een goed woord voor kardinaal Simonis gedaan (wat weer op onbegrip bij sommigen - ook katholieken! - was gestuit). Hoe dit ook zij - ik was mij er niet van bewust mij aan antikatholieke schimperijen te hebben bezondigd.

Maar de heer Hoogland lijkt nog meer in de war. De uitspraak dat de symboliek de dood van een oud geloof is - aan welke uitspraak hij zijn hele brief ophangt - had ik (in mijn tweede artikel) niet aan Huizinga ontleend, maar aan zijn Leidse collega Kristensen. Hooglands brief, die vrijwel alleen maar uit citaten van Huizinga bestaat, was dus overbodig - hoe interessant die citaten ook waren.

Het is overigens slechts terwille van de feitelijke waarheid dat ik deze kleine correctie - niet Huizinga, maar Kristensen - aanbreng, en het is om dezelfde reden dat ik me genoodzaakt voel nog een keer terug te komen op de commotie omtrent het prinselijk huwelijk van 31 mei. Ik vraag de lezer bij voorbaat om verschoning wanneer het hem of haar langzamerhand gaat duizelen van de theologische finesses die voor en tegen de eucharistieviering tijdens die plechtigheid zijn aangevoerd. Ik moet bekennen dat het mij soms ook zo te moede is. Maar de waarheid vergt ook hier een juiste weergave van de feiten.

Op 5 juni had ik geschreven dat de perschef van kardinaal Simonis in een artikel in Trouw van 2 juni de niet-katholieken die op die plechtigheid ter communie waren gegaan - onder wie ten minste drie leden van het koninklijk huis - “gebrek aan respect voor het katholieke geloofsverstaan” had verweten. Ja, dit moest als een “publieke provocatie”, zo niet een “schoffering” van de “officiële geloofsinzichten van een kerk” worden opgevat.

Blijkbaar was ik niet de enige die dit in het artikel van die perschef had gelezen, want op 9 juni voelde deze zich verplicht op zijn eerdere artikel terug te komen wegens “vervelende misverstanden” die het kennelijk had gewekt. Ik mijnerzijds voel mij nu verplicht de lezers van mijn artikel van 5 juni in kennis te stellen van de nadere toelichting van kardinaal Simonis' perschef.

De woorden 'provocatie' en 'schoffering', zo schrijft hij in zijn toelichting, sloegen niet op de deelneming van niet-katholieken, incluis drie leden van het koninklijk huis, aan de eucharistieviering. “Het zou in het hoofd van geen enkele katholieke priester zijn opgekomen om in dit geval de communie te weigeren.” Hij mag alleen maar niet niet-katholieken voor de communie uitnodigen. Maar als ze komen mag hij ze niet weigeren. De niet-katholieken die op 31 mei ter communie gingen, valt dus, volgens de perschef, niets te verwijten.

Waar sloegen de woorden 'provocatie' en 'schoffering' die hij gebruikt had, dan wèl op? Op de “voorgenomen gezamenlijke dienst van Brood en Wijn”. Maar zo'n dienst, die “haaks staat op het katholieke geloofsverstaan van eucharistie en ambt”, heeft, kennelijk op aandringen van de kardinaal, niet plaatsgevonden. Die woorden 'provocatie' en 'schoffering' hadden dus betrekking op iets wat niet had plaatsgevonden. Niemand hoefde zich er dus door gekwetst te voelen.

Dat is wat ik uit de nadere toelichting van de perschef heb begrepen. Vraag mij niet naar het waarom van het verbod op intercelebratie, zoals de “gezamenlijke dienst van Brood en Wijn” genoemd wordt. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het verschil van opvatting over de vraag óf dat brood en die wijn Christus' lichaam en bloed zijn dan wel slechts een symbool daarvan zijn. Maar hier begeef ik mij op het terrein van de interpretatie, zo niet speculatie, terwijl ik me in dit artikel tot de feiten wil bepalen. Die zijn al ingewikkeld genoeg.

Geen theologische, maar wel historische speculaties lokken de woorden van Huizinga uit waarmee dit artikel begon. Waarop berustte de grote eerbied die hij voor de katholieke kerk had? Hoe zagen de grote verwachtingen die hij van haar toekomst had eruit? Was het de echtgenoot van een katholieke vrouw en vader van een pasgeboren en katholiek gedoopt kind die zo sprak of de schrijver van Herfsttij der middeleeuwen? Waren zijn eerbied en verwachtingen zo groot dat het niet onredelijk is de hypothese te wagen dat hij, als hij langer was blijven leven (hij overleed drie jaar later, 72 jaar oud), zelf tot die kerk zou zijn toegetreden?

PS. Ik schreef hier op 9 juni dat er in september 1997 in Oslo een internationaal colloquium had plaatsgevonden waarop ondere andere het werk van de Leidse godsdiensthistoricus W.B. Kristensen onderwerp van discussie was geweest. Dit colloquium moet nog plaatsvinden, namelijk van 17 tot 21 september 1998.