Amerikaanse en Nederlandse opvattingen over vermindering van de CO2-uitstoot; Altijd staat Nederland met het vingertje klaar

Aan weerszijden van de Atlantische Oceaan worstelt men dezer dagen met de vraag hoe de mondiale uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen kan worden verminderd. De Nederlandse minister De Boer (VROM), die hier in eigen land ook nog niet uit is, merkte vorige week dat Washington niet warm loopt voor ingrijpende aanpassingen in eigen huis.

Wie in Washington iets gedaan wil krijgen ten bate van het milieu, kan maar beter niet met het ook door de Amerikanen ondertekende klimaatsverdrag van Kyoto schermen. Vooral het Congres is daarvoor in hoge mate allergisch. De meeste senatoren en afgevaardigden vrezen dat het verdrag leidt tot onwelkome uitgaven, waar hun kiezers niet op zitten te wachten. Het Witte Huis heeft de overeenkomst tot dusverre wijselijk niet aan Senaat en Huis van Afgevaardigden voorgelegd ter ratificatie.

Amerikanen lijken zich alleen voor het milieu te interesseren als aangetoond kan worden dat bepaalde maatregelen juist economisch gewin opleveren. Die strategie volgde David Gardiner, de nummer twee van het hoogste Amerikaanse milieu-orgaan, het Environmental Protection Agency (EPA), vorige week tijdens een hoorzitting van de Senaat over een initiatief van president Clinton om de broeikasgassen terug te dringen. Met een investering van 6,3 miljard dollar in energiebesparende maatregelen zouden bedrijven en particulieren, aldus Gardiner, vele tientallen miljarden dollars in energiekosten kunnen uitsparen. Ter geruststelling van de senatoren voegde hij er onmiddellijk aan toe dat Clintons initiatief in geen geval een heimelijke poging was alvast het door hen vermaledijde verdrag van Kyoto uit te voeren.

De senatoren toonden zich niettemin weinig geestdriftig. De stem van het EPA in Washington blijft zwak, hetgeen zich ook weerspiegelt in de karige behuizing van het agentschap, dat in de regering niet de status van volwaardig ministerie geniet. Op de vloer in de gangen ligt armetierig zeil, de bekleding van het meubilair is danig verschoten en stukken van het plafond komen hier en daar naar beneden.

Ook de EPA'ers zelf verhullen niet dat ze maar een geringe invloed hebben. Het Amerikaanse milieubeleid wordt niet hier maar op het Witte Huis, op het ministerie van Buitenlandse Zaken en in het Congres bepaald. Daar staan milieukwesties niet hoog op de agenda.

Minister De Boer (VROM) en een hoge ambtelijke delegatie werden vorige week tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten eveneens met die werkelijkheid geconfronteerd. Ze waren onder andere naar Washington gekomen om te horen hoe de Amerikanen hun bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen dachten te verwezenlijken.

De Nederlandse minister zelf bevindt zich op dit terrein tussen twee vuren. De Britten, thans voorzitter van de Europese Unie, willen dat Nederland zijn uitstoot van CO2 en 5 andere gassen uiterlijk in 2010 terugbrengt tot acht procent beneden het niveau van 1990. Dat is het gemiddelde waartoe de EU-staten zich op de conferentie in Kyoto hebben verplicht.

De Boer zelf zit inmiddels opgescheept met een kabinetsstandpunt dat stelt dat Nederland geen genoegen moet nemen met een reductie van meer dan zes procent. Bovendien zou de EU een eco-tax moeten invoeren op onder meer brandstof, hetgeen vooral in de zuidelijke lidstaten op verzet stuit. Nederland heeft in het recente verleden al meer gedaan dan andere landen, vindt Den Haag, daarom kan het nu met minder toe. Deze week moeten de ministers van milieuzaken op een top in Luxemburg spijkers met koppen slaan over de CO2-kwestie.

De VS hadden zich vorige jaar in Kyoto bereid verklaard hun uitstoot van zes gassen, waaronder het belangrijke CO2, met 7 procent terug te brengen ten opzichte van 1990. Het leeuwendeel hiervan hopen ze echter te bereiken door de aankoop van emissierechten van minder ontwikkelde landen. Op grond van 'Kyoto' mogen rijkere landen milieuwinst ook laten meetellen als ze armere landen met een primitievere technologie helpen hun vervuiling aan te pakken. Doorgaans kan in zulke landen met minder geld meer bereikt worden dan in eigen land.

Nederland en de overige landen van de Europese Unie zien echter niet graag dat de Amerikanen hun reducties grotendeels op die manier verwezenlijken. Zij vinden dat zowel de EU-staten als de VS ook zelf schoon schip moeten maken. De Boer: “We vrezen dat de VS goedkope emissierechten zullen kopen van een land als Rusland, waar de economische productie en dus ook de uitstoot sinds 1990 hoe dan ook fors zijn gedaald. De aankoop van Russische rechten draagt dus niet wezenlijk bij tot een vermindering van de totale uitstoot in de wereld.”

Het ongunstige klimaat in Washington voor ingrijpende milieumaatregelen dateert niet van vandaag of gisteren. Mede daarom is de Amerikaanse milieubeweging op zoek gegaan naar andere wegen om veranderingen tot stand te brengen. Daarbij wendt ze zich tot grote bedrijven, die bij elkaar ongeveer een derde deel van de uitstoot van CO2 voor hun rekening nemen (de rest komt van de transportsector en de verwarming in huizen en kantoren). De milieubeweging poogt hen te doordringen van het belang van een modern en milieuvriendelijk imago. Bedrijven als ijskastenfabrikant Whirlpool en autofabrikant Toyota zijn intussen gewonnen voor deze aanpak en bouwen via advertenties naar hartelust aan hun nieuwe profiel.

Bij het EPA menen velen echter dat zulke vrijwillige arrangementen niet voldoende zijn. Cheryl Wasserman, beleidsanalist van het EPA: “Je moet de bedrijven behandelen zoals ouders hun kinderen: streng maar rechtvaardig. Je kunt ze niet te veel vrijheid laten, anders loopt het mis.”

Ook Nederland is intussen op zoek naar adressen buiten Washington, waar meer respons is te verwachten voor een milieubeleid naar Nederlandse snit. Eind jaren tachtig al werden de eerste lijntjes uitgeworpen naar enkele progressieve staten, waaronder New Jersey, Idaho en Washington (de staat aan de westkust). De staten beschikken over aanzienlijke mogelijkheden voor een autonoom milieubeleid en sommige maken daar volop gebruik van.

Vooral met New Jersey, een welvarende industriestaat aan de oostkust die iets kleiner is dan Nederland, werd de samenwerking steeds nauwer. De milieuromance tussen beide bereikte afgelopen vrijdag een voorlopig hoogtepunt in Trenton, de hoofdstad van New Jersey. Minister De Boer en Robert Shinn, de hoogste milieufunctionaris van de staat, tekenden in het historische State House plechtig een zogeheten Letter of Intent voor samenwerking op milieugebied.

Er was veel lof in Trenton voor het Nederlandse milieubeleid, dat de vervuiling in het land binnen twee decennia drastisch had verminderd. Vooral de zogeheten convenanten met het bedrijfsleven en de fiscale prikkels voor burgers en bedrijven om zich milieuvriendelijk te gedragen vonden veel weerklank. “Het Nederlandse voorbeeld heeft een diepe invloed op het milieubeleid van deze regering gehad”, aldus Shinn, die verschillende malen op bezoek was bij VROM in Den Haag.

Het waren welkome woorden voor De Boer en haar delegatie na de sombere ervaringen in Washington. Waar de onderlinge samenwerking precies toe zal leiden is echter nog ongewis. De Boer meende niettemin dat die hoe dan ook nuttig zou zijn. Het probleem van de uitstoot van CO2 was immers van mondiale aard en zou dus in internationaal verband moeten worden opgelost. Ook vertrouwde ze journalisten toe dat ze hoopte dat zo via de staten de federale instanties in Washington alsnog tot andere gedachten zouden komen.

Maar ook in New Jersey bleek al snel dat men op enkele cruciale punten van elkaar verschilde. Zo is die staat bezig met de ontwikkeling van een CO2-bank, die in een later stadium wellicht een hoofdrol kan vervullen in de handel in emissierechten. Zowel in Washington als Trenton bestaat er veel meer enthousiasme dan in Den Haag voor een dergelijke marktgerichte aanpak van milieuproblemen, niet alleen tussen onafhankelijke staten zoals in Kyoto is vastgelegd maar ook binnen de eigen landsgrenzen.

Het lichtende voorbeeld in Amerikaanse ogen is de handel in zwaveldioxide-rechten. Om paal en perk aan de SO-vervuiling te stellen, een belangrijk bestanddeel van de zogeheten 'zure regen', legde de overheid in 1990 uitstootlimieten op aan bedrijven. Wie die overschreed kon rekenen op een forse aanslag van 1000 dollar per ton. Bedrijven konden echter ook extra emissierechten kopen van bedrijven die beneden hun limiet waren gebleven.

De hoop was dat bedrijven aldus geprikkeld zouden worden efficiënter te produceren en die hoop werd snel bewaarheid. Het vond zijn weerslag in dalende koersen voor emissierechten op de beurs in Chicago. Vorige week brachten die nog slechts 78 dollar per ton op. David Buzzelli van Dow Chemical is ook een voorstander van zo'n aanpak in plaats van lange reeksen afzonderlijke milieuvoorschriften. “Geef ons een bepaalde doelstelling”, verklaarde hij, “en de bedrijven vinden zelf wel de beste manier om die te halen.”

Shinn gaf De Boer dringend in overweging de invoering van een eigen emissiehandel te bevorderen, ook voor CO2. Eerder had een hoge ambtenaar uit het gevolg van De Boer al toegegeven dat het niet goed gaat met het Nederlandse CO2-beleid. Tussen 1990 en 1996 is de uitstoot met 7 procent toegenomen. “We hebben nieuw beleid nodig om de aanhoudende groei van de CO2 uitstoot aan te pakken”, aldus de ambtenaar.

Maar minister De Boer toonde niet het minste enthousiasme voor suggesties voor een handel in Nederlandse CO2-emissierechten. “Zo'n handel past niet bij onze cultuur”, stelde ze. Ze liet overigens wel de mogelijkheid open van een experiment met handel in emissierechten voor stikstofoxide.

De geringe bereidheid van de Nederlanders zich open te stellen voor de denkbeelden van hun Amerikaanse gastheren en hun neiging zich te beperken tot het uitdragen van de eigen ideeën ergerde sommigen uit eigen kring. “Altijd weer staat Nederland met zijn vingertje klaar. We mogen ons best wat bescheidener opstellen”, vond Niek Ketting, voormalig hoofd van de Samenwerkende Elektriciteits-produktiebedrijven en lid van de delegatie. “Ook in Nederland valt er nog veel te verbeteren. Kijk alleen maar naar de groei van de CO2-uitstoot.”