Wat willen wij? Lezen en leren, juf !

Basisscholen moeten verplicht de CITO-toets afnemen, vindt staatssecretaris Netelenbos van Onderwijs. Maar CITO-cijfers van zwarte scholen vergelijken met die van witte scholen is oneerlijk, menen critici. Onzin, bewijst de 'zwarte' school Santenkraam in de Amsterdamse Bijlmer.

AMSTERDAM, 15 JUNI. Als de postbode jaarlijks de CITO-toetsresultaten bezorgt bij basisschool Santenkraam, grijpt adjunct-directeur P. Defourny altijd eerst het blauwe formulier. Daarin meldt het CITO hoe zijn school met allochtone achterstandsleerlingen het heeft gedaan vergeleken met het landelijk gemiddelde. Al vier jaar zit de school op dat gemiddelde. “Pas na onze vreugdedans kijken we naar het groene formulier, dat de school vergelijkt met soortgelijke scholen.” Dan blijkt dat Santenkraam het buitengewoon goed doet, voor een 'zwarte' school.

Basisschool Santenkraam (oecumenisch) staat tussen de anonieme galerijflats en grimmige parkeergarages van de G-buurt in de Amsterdamse Bijlmer. Niemand woont vrijwillig in deze buurt, waardoor veertig procent van de schoolbevolking jaarlijks vertrekt. De G-buurt biedt voor gezinnen met lage inkomens uit andere provincies en andere landen tijdelijke huisvesting, waardoor ook veertig procent van de schoolbevolking jaarlijks arriveert. Santenkraam is een duiventil, met leerlingen uit sociaal-zwakke Surinaamse en Ghanese gezinnen. Een 'achterstandsschool', in jargon, met ouders die niet of nauwelijks betrokken zijn. Een school die van staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs) niet mag worden vergeleken met scholen in Bloemendaal of Amsterdam-Zuid. En toch kan en wil deze school zich met die scholen meten.

Netelenbos hield vorige week een omstreden pleidooi voor verplichte invoering van de CITO-toets op alle basisscholen. Bij elk debat over de CITO-toets zeggen haar partij, de PvdA, het CDA en GroenLinks dat het oneerlijk is om scholen met veel achterstandsleerlingen te vergelijken met scholen in goede buurten. Alleen als scholen hetzelfde soort leerlingen in huis hebben - met even hoog of laag geschoolde ouders en een vergelijkbare woordenschat - is het volgens hen billijk om eindcijfers te vergelijken. Anders kunnen witte scholen met slechts geringe inspanning goede CITO-cijfers gebruiken als promotie voor de school en bungelen zwarte scholen ondanks grote inspanningen onder aan de ranglijst.

Zo niet basisschool Santenkraam. Haar resultaten doorkruisen de bezwaren van de anti-vergelijkingsstroming. Het gemiddelde CITO-toetscijfer op Santenkraam is immers al vier jaar 535, ver boven het gemiddelde van Amsterdamse achterstandsscholen: 526. Eenderde van de kinderen gaat naar Havo/VWO, minder dan de landelijke vier op de tien, maar meer dan soortgelijke scholen die vaak bijna iedereen verwijzen naar het voorbereidend beroepsonderwijs of de Mavo.

Het geheim van basisschool Santenkraam is toetsing. De school toetst en volgt de vordering van haar kinderen intensief en weigert de verwachtingen voor deze schoolbevolking te verlagen. De school is streng - ze heeft een gedetailleerde regelgids opgesteld - en kent een sfeer die elk klas doet lijken op een ideaal uit de jaren dertig. De kinderen klieren niet, ze werken en fluisteren.

Maandagochtend bespreekt groep drie (7 jaar) met juffrouw Anja de leesboekjes. “Wie gaat er tijdens de grote vakantie doorlezen, jongens, om zijn leesvoorsprong te behouden?” vraagt Anja. 21 Handjes schieten de lucht in. Wat vinden we van lezen? “Leuk!” En wat kunnen we als we goed lezen? “Leren!”. Als mama en papa niet meegaan naar de bibliotheek, dan gaan jullie met broertjes en zusjes. Hoe komen jullie daar? Met de metro, de fiets, de snorder.

Acht jaar geleden, toen bleek dat nog maar een handjevol witte kinderen deze school bezocht, is de school een toetsensysteem gaan opbouwen dat sinds vier jaar vruchten afwerpt. Alle kinderen worden aan het eind van groep 1 getoetst op hun herkenning van kleuren, vormen en letters, hun motoriek en auditeve vaardigheden, volgens een zelf-samengestelde toets. Een speciale begeleider noteert per kind en per groep de hiaten en de juf concentreert zich daar het volgende halfjaar op. Tot de volgende toets.

Het bestuur, dat zijn tien scholen in de Bijlmer nauwlettend volgt, en de schoolleiding houden de hiaten op schoolniveau in de gaten. Zo bleek drie jaar geleden dat de leerlingen op Santenkraam slecht 'begrijpend lazen'. Ze kenden de woorden wel, maar begrepen de context van verhalen niet. Alle leraren hebben zich vervolgens op context-herkenning toegelegd. En zo kan geen klas of kind ongemerkt achterblijven op Santenkraam: twee keer per jaar moet iedereen weer door de toetsenmolen. Het is de stellige overtuiging van onderwijskundigadviseur van het bestuur G. Gulpers, dat álle zwarte basisscholen in het land op den duur even goede resultaten kunnen boeken als Santenkraam. “Je kunt niet in één klap van 525 naar 535, maar elk jaar iets hoger is mogelijk”, aldus Gulpers. Santenkraam heeft een werkwijze en een geloof in zichzelf, dat Amerikaans aandoet. Ze doet alles om “uit de kinderen te halen wat erin zit”, aldus Defourny, en heeft voor de team-geest zelfs een meisjes-voetbalploeg dat Nederlands kampioen is. “Wij geloven in onze kinderen, we hebben de beste kinderen in Amsterdam”, zegt Defourny. In die stad is in de jaren tachtig de 'zorglijn' voor twaalfjarige allochtone leerlingen ingesteld, onder de normale streeflijn. Dat wil zeggen: een minimum-norm voor de kennis en vaardigheden die allochtone leerlingen moeten halen. De Santenkraam heeft dat minimum-streven nooit overgenomen, omdat het stadsbreed na een paar jaar veranderde in een doel. Als allochtone leerlingen in Amsterdam de zorglijn haalden, dan was dat goed genoeg.

Toch zijn er kinderen die ondanks hun capaciteiten en de zorg van basisschool Santenkraam een onzekere schooltoekomst tegemoet gaan. Zoals Ceasar (7), die volgens Anja leergierig is en op lees-niveau zeven zit, terwijl zijn klasgenoten op niveaus drie en vier werken. Gulpers vindt dat zijn scholen bij achtjarigen al moeten anticiperen op het latere schooltype dat geschikt is voor elk kind afzonderlijk. “Zo voorkom je dat een kind onder zijn niveau gaat presteren.”

Maar van een kind als Caesar, voor wie het VWO geschikt lijkt, weet je niet hoe het met hem afloopt, zeggen Anja en begeleider Saskia. Zijn ouders kijken niet naar hem om, hij komt met een lege buik op school, zonder broodtrommeltje. Laatst zag Anja hem om kwart voor acht 's ochtends met zijn vijfjarige zusje op het schoolplein wachten voor een dichte schooldeur. “Als zo'n jongentje zich in zijn puberteit gaat afzetten, dan weet je niet of hij presteert waar hij toe in staat is.”

    • Frederiek Weeda