Verloren onschuld

Sluizen zijn de mooiste kunstwerken. Je vaart naar binnen - je hebt geen keus, anders moet je terug - en laat je opsluiten tussen zware, metershoge deuren en muren. Dan wacht je, in een bedrieglijke stilte. Ergens onder het wateroppervlak gaan luiken open, het water kolkt en beweegt haast onmerkbaar. Aan de sluiswand zie je dat er iets gebeurt: het peil gaat omhoog of omlaag, het uitzicht verandert. Een polder doemt op - of de wereld verdwijnt omdat je wegzakt in een bakstenen kloof.

En ten slotte het plechtige, verlossende moment waarop alles heeft gewacht. Langzaam wijken de verweerde deuren van elkaar, een kier, een glimp van de nieuwe wereld, wijder, lichter, het water borrelt nog maar het nieuwe uitzicht lokt de ogen. Het Noordzeekanaal of de Waddenzee - een schip is naar een andere dimensie getild.

Van de bouwvallige Zuidersluis in IJmuiden tot de knusse graswanden van het sluisje in Electra (Gron.) is er geen sluis die niet bijzonder is. Wie het niet vergund is het kunstwerk van binnen uit te aanschouwen, die krijgt een troostprijs. Die kan aan de kant waar het water het laagste staat het water met donderend geweld omlaag zien storten. In Eefde bijvoorbeeld, waar het verval zeven meter is. Een vervaarlijke aanblik die moeders naar hun kinderen doet grijpen.

'Kunstwerken' heeft Rijkswaterstaat zijn sluizen, viaducten en dijken altijd genoemd. Is het dan kunst, is het architectuur? Nee, natuurlijk niet, iedereen kan zien dat het pure techniek is; het heet zo omdat het kunstmatig is, de mens die de natuur naar zijn hand zet. Als het indrukwekkend is om naar te kijken, is dat een onbedoeld neveneffect.

Tenminste, zo was het altijd. Juist omdat de wereld van weg- en waterbouw een totaal andere was dan die van kunst en cultuur, bleef die argeloze term 'kunstwerken' bestaan. Heel soms was er een dichter die een brug bezong, zoals Nijhoff, of een dijk, zoals Vasalis (De bus rijdt als een kamer door de nacht...).

Dat alles is veranderd.

Het was al een veeg teken dat de nieuwe brug bij Bommel een paar jaar geleden officieel de naam Martinus Nijhoff-brug kreeg. Dat had iets verontrustends, alsof er een geheim werd prijsgegeven. En nu, nu Rijkswaterstaat zijn tweede eeuwfeest viert, lijkt de onschuld van de bruggen- en sluizenbouwers voorgoed verloren. Zoals Monsieur Jourdain die verneemt dat wat hij al die jaren heeft gesproken proza is, zo weet Rijkswaterstaat ineens dat het al die tijd heel bijzondere dingen heeft gedaan. Dat is wel waar, maar ze lopen ermee te koop en dat past niet bij zo'n nuchtere organisatie.

Rijkswaterstaat is niet meer argeloos. Na tweehonderd jaar dijken bouwen, in weer en wind metingen verrichten, helm of zuidwester op, polders droog houden, potlood bij de hand - keken ze in de spiegel. God, eigenlijk wel een stoere club, zagen zij. Staat goed, die helm. Of zou een gele er beter uitzien?

Zo kwam het dat Rijkswaterstaat op zijn verjaardag aan kunst ging doen, aan die andere kunst, de deftige soort, en aan vormgeving. 'Nederland is de tentoonstelling', zo klopten zij zichzelf op de borst.

Er moest een boek komen, waarvoor tekstschrijvers werden ingeroepen die zich speels 'Het Kantoor' noemen, en ontwerpers die al even speels 'lijn 5 ontwerpers' heten. Er kwam een redactioneel concept en ten slotte een boek met de speelse titel Nat & Droog. Nederland met andere ogen bekeken. Die andere ogen, daarmee bedoelen ze uw en mijn ogen, die van buitenstaanders, leken en dichters. Rijkswaterstaat helpt ze alvast bij het bijzonder vinden van hun imposante kunstwerken.

Ach, het is niet dat er niets moois in dat boek staat. Veel foto's zijn prachtig: van de stuw en de brug bij Grave, van de oude vloeddeuren in Zoutkamp. Prachtig. En je kunt er van alles uit leren. Bijvoorbeeld over het slibdepot in het Ketelmeer, een ingenieuze constructie om miljoenen kubieke meters zwaar vervuilde modder in te bewaren.

Maar omdat het heel bijzonder moest, werd het ook een vreselijk lelijk boek, onoverzichtelijk, en onhandelbaar van vorm zodat je het niet op schoot kunt lezen. Een boek met nare, grote letters er in, en vol copywriterstaal over prijskaartjes die aan bruggen hangen, de weergoden die een stormvloedkering de zwartepiet bezorgen, en het milieu dat een streepje voor heeft.

En een minimum aan informatie natuurlijk, want een modern bedrijf mag het publiek niet vervelen met feiten en jaartallen. En zeker niet te veel over vroeger praten want de geschiedenis is passé en wie dynamisch is, kijkt vooruit.

Ik weet het: Rijkswaterstaat publiceert dezer dagen een historische studie, een serieus boek dat te koop zal zijn voor de geïnteresseerden, wat er natuurlijk niet meer dan een paar duizend zullen zijn. Maar de rest blijft toch zitten met die aanstellerige toon. Met speciale jubileumtribunes om naar de Rijn te kijken (zoals in de Efteling kijkraampjes staan waar de bezoeker een foto door kan maken, alsof hij zelf geen ogen heeft).

Vorige week werd ook een tv-film van Rijkswaterstaat uitgezonden, die nog erger was dan het boek. Een road movie noemden ze het, even speels als onzinnig. Mooie plaatjes zaten er in, maar feiten? Informatie? Ach nee, daar ging het niet om. Een beeld, dat is wat Rijkswaterstaat wil; het is tenslotte een kolossaal apparaat dat niet meer argeloos is maar heeft begrepen dat de wereld bedrogen wil worden - en dat je met een mooi imago beter door lastige inspraakprocedures heen komt dan met het toelichten van berekeningen.

Misschien kun je het nooit iemand kwalijk nemen dat hij zijn onschuld verliest. Zo gaat het immers in de wereld; met de Zondeval is de geschiedenis begonnen. Maar betreuren kun je het wel.