'U moet ons Kosovo teruggeven, dan helpt God u'

Tropojë, in het onherbergzame noorden van Albanië aan de grens met Kosovo, is een overslagplaats: hier komen uit Kosovo vluchtelingen aan en van hier gaan wapens naar Kosovo. Een roerig nest van armoede en anarchie, waar buitenlanders welkom zijn voor hun hulp, maar niet teveel naar de wapensmokkel moeten kijken.

TROPOJË, 15 JUNI. Het bergdorpje Tropojë is een wapenbazaar. In het centrum van het bergdorpje keuren groepen Albanese mannen de lopen van kalasjnikovs, ontgrendelen ze, vetten ze in. Uit een steegje klinkt een oorverdovende knal. Twee twaalfjarige jongens proberen iets uit dat lijkt op een shotgun, een geweer met afgezaagde loop.

Tropojë in Noord-Albanië is momenteel het verdeelpunt van de vluchtelingenstroom uit Kosovo en de wapenstroom naar Kosovo. In het centrum staan zo'n tachtig muilezels met zadels van hout en leer klaar. Elk kunnen ze dertig kalasjnikovs de bergen indragen. In het café van Tropojë drinken mannen Italiaans bier. Sommigen dragen emblemen van het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK), een dikke wapenhandelaar in een rood Adidas-trainingspak heeft het hoogste woord. Erg gewild zijn buitenlanders hier niet. Wij hopen door stug te blijven zitten en over voetbal te praten langzaam op te gaan in het behang. Dat blijkt een illusie. Waar onze hoek van het café eerst vol zit, worden we tien minuten later nog slechts omringd door lege tafels. De Adidas-man loopt naar ons toe, eist onze paspoorten op, mompelt iets over spionnen. Het sein voor de laatste ronde.

Gjergj, een van de medewerkers van de Adidas-man, vertelt later op de veerpont naar Koman dat buitenlanders in Tropojë als lastposten worden gezien. De voedselhulp en de medicijnen voor de vluchtelingen worden op prijs gesteld, voor het overige zitten ze de wapensmokkel maar in de weg. Die handel met de verdrukte broeders in Kosovo is patriottisch en bovendien zeer lucratief. Kalasjnikovs brengen 150 dollar op in Tropojë, pistolen 300 dollar. Eén kalasjnikov kun je inruilen tegen twee muilezels. In de vlakte van Kosovo brengt een kalasjnikov inmiddels 250 tot 300 dollar op.

Gjergj: “De wapens naar Tropojë rijden is gemakkelijk. Voor Albanese politiemensen is smeergeld aannemen nu ook een daad van vaderlandsliefde. We brengen ze met muilezels de bergen in, naar een huis van het UÇK. Dat zorgt voor de rest.” De kalasjnikovs beginnen kennelijk schaars te worden, zelfs in Albanië, waar sinds het plunderen van de legerarsenalen vorig jaar het aanbod overvloedig is. Afgelopen week vielen bendes rond Tirana en elders 's nachts weer wapendepots aan. Zonder succes: het leger schiet nu terug.

Het dorp Tropojë herbergt 3.600 vluchtelingen uit Kosovo. De mannen uit het Decani-gebied, waar Servische troepen de afgelopen maand zwaar huishielden, brengen hun families naar boven en dalen via sluiproutes weer in de vlakte af om te vechten. Vrouwen, kinderen en bejaarden blijven achter in Tropojë. De kryeplak (dorpsoudste), Qerim Ali Troshnjeva, heeft 27 vluchtelingen uit Junik en Beqiraj in huis. Ze slapen in twee kamers van drie bij drie. In het huis hangt een zure zweetlucht. Kinderen spelen, dreinen of staren koortsig naar het plafond. Er is ook een baby, tijdens de driedaagse vlucht naar Tropojë geboren, zegt de moeder. We luisteren naar een kluwen verwarde verhalen over beschietingen, brandende boerderijen, nachten in het bos, overleden mannen, zieke kinderen. Sabahata Beqira begint te huilen over haar dode man. De rest van de kamer huilt mee.

“Europa is ons heel veel schuldig”, meent kryeplak Troshnjeva, een man met een gezicht van krokodillenleer. “Het brood dat ik eet zou u niet aan uw hond voeren. Wij zijn straatarm in Tropojë, maar wij delen onze armoede nu met Kosovo. Ik spreek nu uit mijn hart tot u. Kosovo is Albanië, het beste deel van Albanië. Maar het Westen besloot in 1913 dat Servië het mocht hebben. U moet het ons teruggeven, dan zal God U helpen. Het is een groot onrecht.”

De oude Hysen Goçaj uit Junik komt met opbeurend nieuws voor de dorpsoudste. Maandag gaat de NAVO de Serviërs bombarderen. Daarna kunnen de mensen misschien terug naar Kosovo. “Dat is goed, dat is heel goed”, zegt de dorpsoudste.

De geschiedenis is hard geweest voor het district Tropojë. De 44.000 bewoners tellende majestueuze hoogvlakte, omzoomd door witte pieken en doorsneden door scherpe ravijnen, ligt sinds driekwart eeuw aan de rand van de wereld. Tot begin deze eeuw trouwden de Malisoor van Tropojë vaak met Albanezen uit de vlakte van Kosovo. Ze verhandelden op de markt van Djakovica hun geiten, schapen en muilezels. Maar in 1912 veroverde het Koninkrijk Servië Kosovo en werden de banden doorgesneden. De dichtstbijzijnde stad werd het verre Shkodër. Tropojë, toch al niet rijk, verzonk in bittere armoede.

In het communistische Albanië schoten niet alleen Servische, maar ook Albanese grenswachten op de Malisoor die stiekem hun familie in Kosovo bleven bezoeken. Enver Hoxha gaf het dal een nieuwe hoofdstad, Bajram Curri, genoemd naar een verzetsstrijder wiens standbeeld voor het leeggeplunderde 'Museum voor Kosovo' nog altijd vermanend richting grens wijst. Bajram Curri bestaat uit tientallen vervallen flatjes van vier verdiepingen. In de skeletten van communistische fabriekjes zoeken geiten naar schaduw. De straten liggen vol vuilnis en autowrakken, op het schoolplein spelen kinderen tussen de varkens. Straathonden warmen hun buiken aan het asfalt en strijden 's nachts om territorium. Als zaterdagnacht ergens een hond al te luidruchtig jankt, klinkt een schot. Daarna is het weer stil.

Een hoogvlakte vol boze mannen. Op zichzelf is Tropojë al een studie in sociale ontwrichting waard, nu kampt het bovendien met een instroom van duizenden berooide vluchtelingen uit het noorden en honderden rijke hulpverleners en journalisten uit het zuiden. Bendes maken de bergweg naar Tropojë onveilig: zij plegen hun slachtoffers soms letterlijk uit te kleden en versmaden ook een gouden tand niet. Verzet is onverstandig. Een blauw oog is beter dan een afgesneden oor, zegt men hier. De alternatieve route naar Tropojë, een tocht per veerpont over een langgerekt stuwmeer, is veiliger, maar niet altijd. Vorige maand raakte een vrouw gewond toen een bende de pont beschoot naar aanleiding van een onduidelijk geschil. Bij de nauwe tunnel naast de stuwdam, het beginpunt van de boottocht, zitten de op- en afrijdende auto's, bussen en Landrovers elkaar zo dwars dat agenten de vechtende chauffeurs vorige week met waarschuwingsschoten tot inschikkelijkheid moesten bewegen.

In Bajram Curri hebben de hulpverleners het niet makkelijk. Onderling woedt een discussie of de vluchtelingen niet beter zo snel mogelijk naar het achterland kunnen worden afgevoerd. Daarbij speelt een uit Bosnië al bekende discussie: wordt de ontvolking van het grensgebied zo niet gesanctioneerd? Er is een tentenkamp opgezet en men steggelt over de inrichting van een kazerne als vluchtelingenkamp. De lokale overheid heeft de weinig realistische eis op tafel gelegd dat de kazerne grondig moet worden gerestaureerd. Het voedsel is geen probleem, maar epidemieën liggen op de loer.

Het grootste probleem zijn de bendes. Diederik Aarendonk, hoofd van de missie van Artsen zonder Grenzen, beent op zaterdag geagiteerd door hotel Shkelzeni. Vanochtend hebben gemaskerde mannen in het centrum een medewerker een pistool tegen het hoofd gezet en zijn Toyota pick-up truck meegenomen. De derde gestolen auto van hulporganisaties sinds het begin van de operatie in Tropojë. “Ik zie hier het begin van een Tsjetsjenië-logica”, zegt Van Aarendonk. “Eerst stelen ze de auto. Daarna beroven ze ons, uiteindelijk wordt iemand ontvoerd of neergeschoten. Als dit zo doorgaat, trekken we ons terug. De centrale overheid in Tirana doet geen enkele moeite hier de orde te herstellen.”

Tirana wordt in Tropojë vertegenwoordigd door soldaten en 'speciale troepen' in Italiaanse uniformen. Ze lijken vooral gespecialiseerd in het drinken van koffie in hotel Shkelzeni. Echt ingrijpen kan in Tropojë een bloedige affaire worden. En het zou de Albanese overheid tevens dwingen op te treden tegen de wapensmokkel naar Kosovo, waarmee ze zich nergens in Albanië populair maakt.

De regerende Socialistische Partij weet zich bovendien verplicht aan een van de voornaamste bendeleiders van Tropojë, de 34-jarige ex-politiechef Fatmir Haklaj. Hij bestreed hier vorig jaar tijdens de verkiezingscampagne te vuur en te zwaard Sali Berisha, de vroegere president van Albanië die uit Tropojë komt. In september raakte Haklaj echter verwikkeld in een vete. Zijn broer had een tegenstander op straat in het gezicht geslagen. Die vernedering kon niet ongewroken blijven. In september werd de broer doodgeschoten, waarop Haklaj drie leden van Berisha's Democratische Partij liet doodschieten. De dag daarop vermoordde hij zelf de commandant van de grenstroepen, die verhaal kwam halen op het politiebureau. Hij kon daarna geen politiechef blijven en trok zich terug op zijn huis in de bergen. Tirana is tot dusver niet bereid tegen Haklaj en zijn mannen op te treden. En de cyclus van de bloedwraak raast voort: twee tot drie moorden per week zijn de regel. “Haklaj is geen slechte man”, zegt een leraar uit Bajram Curri. “Wat kon hij anders doen dan zijn broer wreken?”

Tropojë moddert voort. Als het klopt dat het Joegoslavische leger momenteel de grens naar Kosovo met mijnenvelden afsluit - wat logisch lijkt, maar waarvoor OVSE-waarnemer William Faxton in Tropojë nog geen aanwijzingen zegt te hebben - wordt het infiltreren moeilijk en moeten de wapensmokkelaars nieuwe wegen zoeken. Dan is Tropojë weer gewoon een hoogvlakte vol wanhopige vrouwen en boze mannen aan het eind van de wereld.

    • Coen van Zwol