Spierballenvertoon lost crisis in Kosovo niet op

In plaats van te dreigen met geweld zou de internationale gemeenschap harde economische sancties tegen Joegoslavië moeten afkondigen. Alleen zo kan volgens Peter Michielsen een escalatie van de huidige Balkancrisis worden voorkomen. Jonathan Eyal vreest dat het optreden van het Westen halfslachtig zal blijken.

Met geharnaste taal en opzichtig wapengekletter probeert de internationale diplomatie de crisis in Kosovo te bezweren. De Serviërs moeten worden teruggefloten, want er is sprake van grof geweld tegen burgers. En dus buitelen elke dag ministers over elkaar heen in wat een wedloop in spierballenvertoon is gaan lijken: er moet nu worden opgetreden, en snel, en hard, en desnoods zonder VN-mandaat, vliegverboden moeten er komen, en precisie-bombardementen. “Ons geduld is op”, zo riepen vorige week de internationale ministers in koor.

Dat 'ons geduld is op' klinkt in het licht van de geschiedenis nogal huichelachtig, want dat Kosovo een tijdbom is die ooit zou ontploffen weten die ministers al sinds 1989, toen de Serviërs de Albanezen in Kosovo hun autonomie afpakten. Maar al die negen jaar heeft de internationale gemeenschap de tijdbom de tijdbom gelaten, de Albanezen in hun sop gaar laten koken, de Serviërs hun kwalijke gang laten gaan en de andere kant uitgekeken zonder ook maar één ministeriële vinger uit te steken. Nu de tijdbom doet wat hij onvermijdelijk een keer moest doen, namelijk ontploffen, is voor de Voorhoeves en de Cooks en de Kinkels opeens 'het geduld op'.

Of het tot daadwerkelijk ingrijpen komt moet nog blijken. Maar het is merkwaardig om te zien hoe roekeloos de ministers, voortgedreven kennelijk door de collectieve schaamte over de jarenlange opeenstapeling van blunders in Bosnië, naar het uiterste wapen grijpen - de dreiging met geweld - zonder de middelen te gebruiken om de crisis zonder geweld op te lossen. Die middelen zijn er. Maar er is niemand die er bij stilstaat.

In plaats van met sabels te rammelen zouden de internationale ministers er beter aan doen zo hard mogelijke economische sancties af te kondigen tegen Joegoslavië. En dat zijn niet de tandeloze en uitsluitend symbolische sancties die tot nu toe zijn afgekondigd: een wapenembargo dat geen zin heeft omdat Joegoslavië zelf een belangrijke wapenproducent is, een investeringsstop die geen zin heeft omdat niemand in Joegoslavië investeert en een bevriezing van tegoeden die niet bevroren kunnen worden omdat ze allang op veilige rekeningen in Cyprus staan.

Èchte sancties, zoals een handels- en olieboycot, zouden Belgrado voor enorme problemen plaatsen. De Joegoslavische economie is extreem kwetsbaar. De inflatie (23 procent tussen januari en mei) dreigt geheel uit de hand te lopen. De valutareserves (160 miljoen dollar bij een buitenlandse schuld van elf miljard dollar) blijven 80 procent achter bij de verwachtingen, de betalings- en de handelsbalans vertonen miljardentekorten en Belgrado kan de Russische gasrekening (230 miljoen dollar) niet meer betalen. De centrale bank wordt weer geleid door dezelfde lieden - Jovan Zebic en Nikola Stanic - die in 1993 de hyperinflatie van uiteindelijk 313 miljoen procent per maand veroorzaakten.

De kwetsbare economie wordt verder belast door de operatie in Kosovo. De inzet van de politie daar kost 50 miljoen dollar per maand - twaalf procent van het maandelijkse BNP. De legering van 20.000 soldaten kost nog eens vijftien miljoen dollar per maand. Daarmee komen de kosten op de helft van wat Servië elke maand zijn AOW'ers aan pensioen moet uitkeren. Die pensioenen worden nu al drie maanden te laat betaald.

De sancties van 1992 tot 1995 hebben Joegoslavië voor honderd miljard dollar geschaad. Een hervatting van die sancties maakt in Belgrado veel meer indruk dan het wapengekletter van nu en lijkt het enige drukmiddel dat Miloševic kan dwingen ècht te onderhandelen. Het waren keiharde sancties die hem er in 1993 toe brachten het vredespad in te slaan dat eind 1995 tot 'Dayton' leidde.

Doel van die sancties zou moeten zijn Miloševic aan de onderhandelingstafel te dwingen - niet “voor overleg over de oplossing van de crisis”, zoals de veel te algemene formulering nu luidt, maar voor overleg over de status van Kosovo binnen Servië, of, anders gezegd, voor overleg over het herstel van de autonomie van voor 1989. Een ander thema mag er niet zijn. Dat overleg mag ook niet vrijblijvend tussen Miloševic en zijn Albanese tegenspeler Ibrahim Rugova verlopen, maar moet een soort Dayton II worden, ergens ver weg achter dichte deuren onder leiding van bemiddelaars van het type Holbrooke, zonder dat Miloševic de kans krijgt tijd te rekken - tijd die hij nu gebruikt om West-Kosovo etnisch te zuiveren. Dat Dayton II moet leiden tot herstel van het zelfbestuur voor de Albanezen, inclusief een aftocht van federale troepen en politie en die van het Servische bestuur in Prištrina.

Natuurlijk is dit alles makkelijker gezegd dan gedaan. Voor zowel Miloševic als Rugova is een herstel van de status quo van voor 1989 onbespreekbaar - voor de eerste is het teveel, voor de tweede te weinig.

De Serviërs zeggen 'Kosovo' vreedzaam te willen regelen. Ze hebben die kans negen jaar lang gehad. Hun 'vreedzame regeling' is het Kosovo van nu: een apartheidsbewind waarin 90 procent van de bevolking rechteloos is. Een herstel van de autonomie zou Miloševic in eigen land waarschijnlijk zijn politieke leven kosten. Maar als er èchte sancties komen, is het alternatief ook somber: een ineenstorting van de economie, met het gevaar van een nieuwe desintegratie, omdat Montenegro zich wel eens van Servië kon losmaken, plus het gevaar van een legercoup (het leger is tegen zijn optreden in Kosovo). Ook het alternatief voor een Dayton II kan hem dus ten val brengen.

Voor Rugova is autonomie ook taboe. De Albanezen eisen onafhankelijkheid of aansluiting bij Albanië. Die eisen zijn niet reëel: het is de vraag of een onafhankelijk Kosovo economisch kan bestaan, en het zou hoe dan ook een bedreiging van de interne stabiliteit van de buurlanden Macedonië, Montenegro en Albanië zijn. Aansluiting bij Albanië wil ook niemand, zelfs Albanië niet.

Het enige reële alternatief voor de Albanezen is dus het herstel van de autonomie binnen Joegoslavië. In een Dayton II heeft Rugova geen machtsmiddelen om dat tegen te houden. Het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK is geen machtsmiddel. Het UÇK is een rafelleger, slecht bewapend, slecht opgeleid, slecht gecoördineerd, zonder hiërarchische leiding, strategie en militaire ervaring. Het is snel gegroeid, maar kan weer even snel uiteenvallen als het tegenzit met de ravitaillering, het strijdplan van morgen of wanneer de Servische onderdrukking ophoudt. Het UÇK kan de tegenstander speldenprikken uitdelen en 's nachts in lege heuvels de baas spelen - maar het kan vooralsnog die tegenstander niet verslaan of verdrijven en het kan in Dayton II geen serieuze machtsfactor zijn.

Het is merkwaardig hoe de internationale gemeenschap tussen de tandeloze sancties die tot nu toe zijn genomen en het ultieme machtsmiddel van militair geweld een paar fasen overslaat, die van de èchte sancties en die van een daarmee af te dwingen 'Dayton II'. Nu stort ze zich zonder plan in de crisis na die, ondanks alle waarschuwingen, negen jaar lang te hebben genegeerd. Zo herhaalt ze haar gedrag tussen 1987 en 1991, toen de desintegratie van het oude Joegoslavië zich steeds duidelijker aftekende. Pas toen in 1991 het schieten begon, schrokken de internationale ministers op uit hun sluimer om te constateren dat er 'opeens' een crisis was. Nu doen ze dat weer. Met een resultaat dat in coherentie en inventiviteit niet minder pover is dan toen.

    • Peter Michielsen