Maarten Asscher: dichter tussen beleidsnota's

De nieuwe 'kunstpaus' van Nederland combineert de eigenschappen van een soms harde zakenman met die van een geïnspireerde dichter. Een puzzelaar geeft sinds kort leiding aan de cultuurpoot van het ministerie van OC&W.

Gevoelens van vertwijfeling maakten zich meester van Marcel Möring toen hij het nieuws hoorde. “Ik vloekte hartgrondig, zodat mijn kinderen in huilen uitbarstten en mijn vrouw vroeg: wat is er in godsnaam aan de hand?”, zei de schrijver onlangs bij het afscheid van Maarten Asscher als directeur van uitgeverij Meulenhoff. “Ik heb het er moeilijk mee gehad.”

Sinds vorige maand is Maarten Asscher (40) 's lands hoogste ambtenaar voor kunstzaken als opvolger van Stevijn van Heusden. Na een telefoontje van een headhunter eind vorig jaar en een week bedenktijd besloot hij de uitgeverij waarvoor hij achttien jaar werkte te verlaten om directeur Kunsten te worden op het ministerie van OC&W.

Mocht Aad Nuis na de formatie niet terugkeren als staatssecretaris van Cultuur dan zal er met Asscher in ieder geval nog één dichter werkzaam zijn op het departement in Zoetermeer. Dat mag een gerustellende gedachte zijn voor de literaire wereld - de meeste auteurs van Meulenhoff betreuren Asschers stap. “Het bijzondere aan hem”, zegt Marcel Möring, “is dat hij zakelijkheid combineert met een liefde voor literatuur.” Dat laatste is wat hem werkelijk drijft. “Ik zou er geen bal aan vinden om voor een farmaceutisch bedrijf te werken”, zegt Asscher zelf.

Hoewel de Meulenhoff-auteurs met hem weglopen, heeft Asscher de reputatie een harde zakenman te zijn. “Ik heb gehoord dat hij een bumpersticker heeft met de tekst: ik rem niet voor schrijvers die in de ramsj liggen”, grapte Möring op het afscheidsfeestje. De schrijver noemde nog twee 'geruchten' over Asscher die de ronde doen in het literaire circuit: 'Hij wordt zeker minister' en 'Hij verlaat een zinkend schip'.

Het laatste is niet waar. Met uitgeverij Meulenhoff gaat het, na een mindere periode in de tweede helft van de jaren tachtig, betrekkelijk goed. Maar op het afscheidsfeestje dat personeel en schrijvers hem aanboden was wel zichtbaar dat Meulenhoff, één van de belangrijkste literaire uitgeverijen van Nederland, een zwakte heeft: het auteursbestand is vrij oud. Met Möring, Adriaan van Dis en Nelleke Noordervliet beschikt Meulenhoff over een aantal zeer succesvolle schrijvers, maar een populaire jonge auteur als Ronald Giphart of Arnon Grunberg heeft de uitgeverij niet.

Het imago van Meulenhoff zal daar deels debet aan zijn. Meulenhoff staat voor degelijk, betrouwbaar, maar ook een beetje voor saai. Een uitgeverij waar geen bier, maar spa of thee gedronken wordt. Een uitgeverij van hardwerkende mensen, zoals Maarten Asscher, die meestal ook op zondag in het kantoor aan de Herengracht te vinden was. Dat in het circuit bekend was dat hij jarenlang geen tv bezat, zal ook niet hebben bijgedragen aan een wat eigentijdser beeld.

Het degelijk-maar-saaie imago van Meulenhoff was een van de redenen dat enkele Vlaamse schrijvers - onder wie Tom Lanoye, vorig jaar veel geprezen om zijn vertaling van Shakespeare's koningsdrama's - voor een andere uitgeverij kozen, zegt André van Halewijck. Hij werd vier jaar geleden op staande voet ontslagen als directeur van de Vlaamse Meulenhoff-dochter Kritak. Wegens mismanagement, zei Meulenhoff; omdat ze mij kwijt wilden, zei Van Halewijck zelf. Van Halewijck is een van de weinigen die Asscher onaangename karaktereigenschappen toedicht: “Hij kan ontzettend koel zijn en uiterst geslepen”. Maar, Van Halewijck erkent dat Asscher “een goede uitgever” is. “Als Maarten Asscher een boek brengt, dan heeft het een hoog kwaliteitsniveau.” Ook een andere, recent ontslagen Meulenhoff-werknemer, commercieel directeur Peter van Gorsel, is positief over Asscher: “Met hem vertrekt de laatste echte uitgever van poëzie in Nederland.”

Het tweede gerucht van Möring ('Hij wordt zeker minister') is zeker niet waar, al is het ook geen volstrekte onzin. Maarten Asscher heeft absoluut de capaciteiten om te slagen in een politieke omgeving, verzekeren zij die hem kennen. “Hij is zeer welbespraakt, dol op het debat en kan heel diplomatiek zijn. Hij zou een goede staatssecretaris van Cultuur zijn”, zegt Tilly Hermans, sinds 1968 werkzaam bij Meulenhoff, de laatste jaren als hoofdredacteur van het fonds Nederlandse literatuur. “En hij vindt het interessant om beleid te maken. Dat kent hij, want hij zat in de commissie letteren van de Raad voor de Kunsten.” Enkele andere organen waarvan Asscher deel uitmaakte, zijn het bestuur van De Gids en de Raad van Toezicht van het Theater Instituut Nederland.

Maarten Asscher is slim, heel erg slim, zeggen zowel zijn vrienden als vijanden - de eersten zijn trouwens talrijker dan de laatsten. “Het is een tamelijk briljant ventje”, vindt Adriaan van Dis. “Hij is super- intelligent”, zegt André Van Halewijck.

Maarten Asscher heeft stijl. “Hij lijkt op die jonge Engelse uitgevers zoals je die op de Frankfurter Buchmesse ziet lopen. Die hebben een heel nonchalante houding, maar weten ondertussen heel goed wat ze willen”, zegt Hermans. “Zo kan hij ineens binnen komen lopen met een goedkoop plastic horloge om zijn pols. En als je daar iets van zegt dan antwoordt hij: 'O, dat ding heb ik in de haast op Schiphol gekocht. Als ik er maar de tijd op kan zien.' Maar ondertussen verdenk je hem er van dat hij eigenlijk veel liever met dat plastic ding loopt dan met een duur polshorloge.”

En Maarten Asscher is charmant. “Hij kan ontzettend goed mensen voor zich winnen”, zegt dichter Piet Gerbrandy. “Als je met hem praat, heb je al snel het gevoel een goede vriend te zijn.” Gerbrandy kent Asscher sinds de middelbare school. Ze fietsten wel eens samen van hun woonplaats Oosterbeek, naar het gymnasium in Arnhem. Later kwamen ze elkaar op de universiteit van Leiden weer tegen. Asscher ging daar in navolging van zijn vader, de oud-president van de Amsterdamse rechtbank, rechten studeren. “Hij was daar behoorlijk actief in de studentenvereniging”, herinnert Gerbrandy zich.

“Maarten was geen kroegtijger”, zegt Menno Witteveen, die net als Asscher destijds lid was van het Leids studentencorps Minerva en nog steeds met hem bevriend is. Voor kroegbezoek kan hij ook niet veel tijd hebben gehad, want naast zijn rechtenstudie volgde hij voor zijn plezier nog het bijvak papyrologie en studeerde hij twee jaar lang Assyriologie. Witteveen: “Dat hij interesse had voor literatuur, maar ook andere vormen van kunst, was toen al te merken. Op zijn kamer hingen schilderijen.”

Tijdens zijn studie zat Asscher in het bestuur van Arnhemia, een subvereniging van het corps voor leden uit de buurt van Arnhem. Hij was lid van het dispuut Excercendo waar hij voordrachten hield over onder anderen Oscar Wilde, een van zijn grote literaire liefdes. En hij schreef voor Ars Aequi. “Dat was toen een beetje linksig aangezet juridisch-politiek blad”, zegt Asscher. “Voor een themanummer over energie schreef ik bijvoorbeeld een artikel over het Internationaal Energieagentschap en in de voetnoten stonden dan verwijzingen naar Mao.” Korte tijd is hij lid geweest van de PvdA. “Ik heb m'n lidmaatschap opgezegd”, zegt Asscher, “omdat ik het gevoel had dat ik op dat moment niks toe te voegen had aan de partijpolitiek en de partijpolitiek ook niet aan mij.”

Een van de onderwerpen waar Asscher zich in verdiepte tijdens zijn rechtenstudie was het auteursrecht. Daarin kwamen het zakelijke van het recht en het bijzondere van de cultuur samen. Asscher: “Dat gaf de doorslag.” Later zou hij docent auteursrecht worden bij de de brancheorganisatie van de boekhandel en het Praktijkboek uitgeefovereenkomsten schrijven.

Nog voordat hij met zijn studie klaar was, schreef Maarten Asscher brieven aan een aantal uitgeverijen met de vraag of ze werk voor hem hadden. Een daarvan was de Arbeiderspers, die toen werd geleid door Theo Sontrop. “Het was de meest interessante sollicitatiebrief die ik ooit heb ontvangen”, zegt Sontrop. “Eén en een kwart A4-tje lang was hij en daar stond precies in wat er in moest staan. Hij was zowat perfect.”

Maar Sontrop had geen vacature. Hij belde Laurens van Krevelen, directeur van Meulenhoff, met de vraag of die misschien een baan had, wat het geval bleek. Sontrop: “Later is er wel tegen me gezegd dat ik getikt was, omdat ik de concurrentie een beetje had zitten versterken.”

Asscher begon bij Meulenhoff, op 22-jarige leeftijd, als assistent van directeur Van Krevelen. Adriaan van Dis, toen al aan de uitgeverij verbonden: “Het was al snel alsof er twee bazen waren. Ik heb hem altijd als een autoriteit beschouwd, ook toen hij nog heel jong was. Hij heeft iets leeftijdsloos.” Asscher ging zich bij Meulenhoff onder meer bezighouden met het regelen van de rechten van buitenlandse auteurs en het verkopen van de rechten van Nederlandse auteurs aan het buitenland. Het schijnbare gemak waarmee hij het laatste deed, is een reden voor zijn populariteit bij auteurs. “Ik heb in het buitenland boeken verkocht door Maartens aanzien en gezag”, zegt Marcel Möring.

Talent voor de zakelijke kant van het uitgeven, zegt oud-collega Tilly Hermans, betekent niet zozeer: herkennen wat goed is. Maar vooral: gevoel hebben voor hoe iets uitgegeven kan worden. “Kies je voor een gebonden versie, een paperback of een pocket? Wat is het geschikte moment om iets uit te geven? Maarten puzzelt graag over dat soort dingen.”

Dat verbaast niet. In zijn eigen literatuur - Asscher publiceerde naast gedichten een novelle en een aantal verhalen - moet de hoofdpersoon ook vaak puzzelen en peinzen. Geen kruiswoordpuzzels, maar historische raadsels zijn het waarmee de ik-figuur geconfronteerd wordt. In Strindbergs dood bijvoorbeeld onderzoekt hij de herkomst van een lege schilderijlijst. Het is een intrigerend verhaal: in plaats van een eenvoudige verklaring komt de hoofdpersoon de tragische geschiedenis van een stel ontdekkingsreizigers op het spoor. Asscher is een vrijetijd-schrijver, maar de critici ontvingen zijn werk overwegend positief. “Zijn poëzie is absoluut serieus te nemen”, zegt dichter Gerbrandy. “Ik vind Julia en het Balkon prachtig geschreven”, zegt Van Dis.

“Toen we een paar jaar geleden samen in Rome waren voor de presentatie van Indische Duinen daar”, vertelt Van Dis, “klopte hij 's avonds op de deur van mijn hotelkamer en vroeg of hij zijn enthousiasme voor de gedichten van Wislawa Szymborska met me mocht delen. Hij las ze zo mooi voor, zo aanstekelijk, omdat hij er zelf helemaal vol van was.”

Het geval van Szymborska lijkt een goed bewijs voor de stelling dat een passie voor literatuur en zakelijk succes elkaar in de uitgeverij niet hoeven uit te sluiten. Asscher ontdekte het werk van de Poolse dichteres een paar jaar geleden, toen hij in de Times Literary Supplement een gedicht van haar las. “Dat vond ik dermate subliem, dat ik dat voor allerlei mensen heb gekopieerd en rondgestuurd - een wel zeer impulsieve impuls van uitgeven die zich toen van mij meester maakte”, zei Asscher daarover later in Trouw. Vervolgens besloot hij de rechten van Szymborska's gedichten te kopen en haar werk uit te geven, ook al had in Nederland geen mens van haar gehoord. Toen de Poolse dichteres in 1996 tot verrassing van alle literaire critici de Nobelprijs voor literatuur won, was de vertaling in het Nederlands bijna klaar. Inmiddels zijn er van Uitzicht met zandkorrel achttienduizend exemplaren verkocht, een ongekend hoog aantal voor een poëziebundel. Andere buitenlandse schrijvers die door zijn toedoen in het Nederlands vertaald werden, zijn Amos Oz, Primo Levi en Oliver Sacks.

Het schilderij van Oscar Wilde dat in zijn kantoor bij Meulenhoff hing, heeft Asscher niet meegenomen naar Zoetermeer. Het was te groot voor zijn nieuwe kamer. De nieuwe directeur Kunst van het departement van OC&W heeft zich in elk geval voorgenomen zoveel mogelijk met het openbaar vervoer naar Zoetermeer te reizen. Dat heeft als voordeel dat hij elke dag in ieder geval een paar uur kan lezen. Beleidsnota's, maar ook romans en gedichten.

    • Jeroen van der Kris